Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.2.3:9.2.3 Ministeriële koersdocumenten
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.2.3
9.2.3 Ministeriële koersdocumenten
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976974:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Koers Primair Onderwijs. Ruimte voor de school, Den Haag: OCW 2004; Koers Voortgezet Onderwijs. De leerling geboeid, de school ontketend, Den Haag: OCW 2004.
W. Veugelers, ’De docent als bemiddelaar van waarden en normen’, in: Vuijsje (red.) 2001, p. 40-41.
Ibid., p. 43.
Ibid., p. 44.
Ibid., p. 40.
Ibid., p. 40.
Nederlandse Bisschoppenconferentie 2002, p. 18-20; Leeferink 2001 en Roede e.a. 2003.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Maatschappelijke opdracht: leerlingenparticipatie vergroten
De koersdocumenten van minister Van der Hoeven (2004) gaan ervan uit dat het aan de scholen is om bij de uitvoering van de maatschappelijke opdracht hun grenzen te trekken.1 Hierin kan Veugelers zich niet vinden. Hij verwacht van de overheid meer sturing door een burgerschapstype te formuleren, door aan te geven hoe het onderwijs daaraan aandacht dient te besteden en door daarvoor ruimte te scheppen. Het aandacht vragen voor de maatschappelijke opdracht lukt nog wel, maar van het ruimte scheppen ziet Veugelers weinig terechtkomen.2 Vooral de verzuiling zit hem dwars. Die werkt belemmerend op de uitvoering van de pedagogische opdracht: ‘De vrijheid van onderwijs laat de overheid weinig ruimte voor het cultuurbeleid in het onderwijs’.3 Hij zou de democratic and moral education meer ruimte willen geven voor versterking van de leerlingenparticipatie en de voorbereiding op de maatschappelijke participatie.4 Dan kunnen waarden als autonomie een grotere politieke nadruk krijgen. Hij voegt daaraan toe: ‘Ondanks de vrijheid van inrichting is het de overheid die leerplannen goedkeurt en daarmee immense controle op het curriculum uitoefent’5 en ‘in weerwil van alle autonomie-retoriek neemt de controle van de overheid op het curriculum onder het mom van kwaliteitszorg toe’.6
Pedagogische opdracht legitimeert burgerschapsvorming
In overwegende mate gaan de opvattingen over burgerschap in de richting van het door de overheid laten vastleggen van de doelbepaling, met daarnaast een schooleigen invulling. Dat de vorming tot goed burgergericht op inclusie, democratie, rechtsstaat, participatie-toegesneden (leer)doelen vraagt, mag bekend zijn. De leerdoelen moeten uitgaan van mens- en maatschappijvisies die aansluiten bij de beginselen van de democratische rechtsstaat en de plurale samenleving.7