Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.2.1
7.2.1 Het Gewijzigd Ontwerp van 1976
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297977:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. gesch. Boek 6, p. 747.
Destijds lid 2 van art. 6.3.2.6 G.O., thans lid 2 van art. 6:175.
Parl. gesch. Boek 6, p. 747; Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 43. In deze periode rustte de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen als vuistregel nog op de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker, hetgeen uiteindelijk (enkel) de beroeps- of bedrijfsmatige gebruiker werd. Zie par. 6.6.4.
Parl. gesch. Boek 6, p. 747.
Door middel van een viertal vrijwel identieke afdelingen is een regeling getroffen voor schade door gevaarlijke stoffen aan boord van een zeeschip (art. 8:620-627), binnenschip (art. 8:1030-1037), wegvoertuig (art. 8:1210-1220) en spoorvoertuig (art. 8:1670-1680).
In Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 43 wordt gewezen op te vervoeren stoffen die de locatie van de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker hebben verlaten, maar zich (nog) niet in een vervoermiddel bevinden maar op het terrein van de vervoerder in afwachting van inlading dan wel na lossing in afwachting van de aflevering aan de ontvanger. Ook wordt gewezen op de soms betrokkenheid van meerdere vervoermiddelen en de noodzaak van korte opslag van stoffen voordat overlading kan geschieden.
Later zou de bezittersaansprakelijkheid worden geschrapt.
De vraag naar het vervoer van de in art. 6:174 bedoelde opstallen laat ik gezien de aard van deze zaken, bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, rusten.
Vgl. voor goederenvervoer over de weg art. 8:1099 sub c en f, over het spoor art. 8:1571 lid 3 sub d en f.
Denk aan een zaak die beschadigt raakt, of een dier dat sterft.
Denk aan het ene paard dat het andere paard trapt of bijt.
Zie par. 1.3.2.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-746.
Met ‘eigenlijk’ gebruik ex art. 6:181 lijkt het te gaan om het aanwenden van zaken als productiemiddel, het be- of verwerken van zaken, alsmede het ter beschikking stellen van zaken aan een ander.
Bij de introductie van art. 6:181 werd in de toelichting specifiek over het gebruiksbegrip enkel aangegeven dat het voor een ander bedrijfsmatig bewaren of vervoeren van zaken daaronder niet valt.1 Dat de ‘bewaarder’ van zaken geen ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 is, werd als volgt toegelicht (MvA):
‘Wat het bewaren betreft lijkt dit in beginsel ook niet gerechtvaardigd. Wanneer het gaat om gebrekkige zaken, om bijv. vaten gevaarlijke stoffen, of om dieren, dan is de band tussen schaden die door de gebruikelijke zorg voor dergelijke objecten niet kunnen worden voorkomen, en de uitoefening van het bedrijf van de bewaarder niet sprekend genoeg om schade van deze soort tot een bedrijfsrisico te maken.’ (curs. AK)
Erg stellig is de toelichting niet: het ‘lijkt’ ‘in beginsel’ niet gerechtvaardigd de bewaarnemer met het aansprakelijkheidsrisico van schade door een in bewaring gegeven zaak te belasten. Daarbij wordt blijkens de toelichting betekenis toegekend aan de kennelijk ‘losse’ band tussen (het bedrijf van) de bewaarnemer en (de schade veroorzaakt door) de betreffende zaak. Voorts wordt direct een uitzondering op het uitzonderen van de bewaarder als kwalitatief aansprakelijke persoon gemaakt: de bedrijfsmatige bewaarder van een gevaarlijke stof behoort volgens de wetgever wel kwalitatief aansprakelijk te zijn.2 Gebreken van opslagtanks waarin gevaarlijke stoffen worden bewaard komen op grond van art. 6:181 jo. 174 volgens de toelichting namelijk eveneens voor risico van de bewaarder. Daarnaast is volgens de toelichting redengevend dat in geval van bewaarneming van gevaarlijke stoffen vaak hoeveelheden van een (vloei)stof van verschillende eigenaren in één tank worden gedaan en vermenging optreedt. In dergelijke gevallen voorkomt een concentratie van aansprakelijkheid bij de bewaarder moeilijkheden bij het opsporen van de aansprakelijke persoon, aldus de toelichting. Tot slot vermeldt de toelichting dat de band van de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker met een gevaarlijke stof die aan een ander in bewaring is gegeven ‘te weinig sprekend’ meer is voor een kwalitatieve aansprakelijkheid.3 De aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige bewaarder van gevaarlijke stoffen is neergelegd in het huidige art. 6:175 lid 2.
Dat de ‘vervoerder’ van zaken niet als ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 kwalificeert, is volgens de toelichting gelegen in het feit dat een eventuele regeling van vervoerdersaansprakelijkheid voor schade door de in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde zaken in Boek 6 BW niet wenselijk is, maar beter in het kader van Boek 8 BW kan worden bezien ‘in verband met de problematiek van het vervoer in het algemeen’.4 Wanneer Boek 8 BW erop wordt nageslagen, blijkt dat daarin alleen een kwalitatieve aansprakelijkheid van de vervoerder van gevaarlijke stoffen is opgenomen,5 ertoe strekkende derden-benadeelden (benadeelden die buiten de vervoersketen staan) te beschermen.6 Deze aansprakelijkheid in Boek 8 BW ziet op de periode waarin de stof zich in het vervoermiddel bevindt.7 Om te voorkomen dat ‘een geheel ander regime’ geldt in geval hiervan geen sprake is maar een gevaarlijke stof zich toch in een nauw met het vervoer samenhangende situatie bevindt,8 is in Boek 6 BW een op Boek 8 BW afgestemde regeling getroffen. In de tweede zin van art. 6:175 lid 2 is – voor zover Boek 8 BW niet van toepassing is – met de in de eerste zin van dit tweede lid genoemde bewaarder van een gevaarlijke stof gelijkgesteld de vervoerder of ‘soortgelijke ondernemer’ die deze stof ten vervoer of uit hoofde van een met het vervoer samenhangende overeenkomst in zijn macht heeft. Ook in nauw met de in Boek 8 BW geregelde vervoerssituaties samenhangende gevallen behoort de vervoerder van een gevaarlijke stof (of daarmee gelijk te stellen persoon) en niet de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker aansprakelijk te zijn,9 aangezien deze laatsten ‘de zorg voor de stof’ dan niet meer hebben en voor een eventuele schadelijdende derde doorgaans ‘nauwelijks op te sporen’ zullen zijn.10
In Boek 8 BW is géén kwalitatieve aansprakelijkheid opgenomen voor schade van derden-benadeelden in vervoerssituaties veroorzaakt door de in art. 6:173 en 179 bedoelde zaken11 – en is dus ook geen sprake van een daarop afgestemde regeling in Boek 6 BW. Hieraan is bij de parlementaire totstandkoming van de kwalitatieve aansprakelijkheid van de vervoerder van gevaarlijke stoffen in Boek 6 en 8 BW ook geen (kenbare) aandacht besteed. Moet uit het niet regelen van een aansprakelijkheid van de vervoerder voor roerende zaken en dieren in Boek 8 BW nu worden afgeleid dat de wetgever een dergelijke aansprakelijkheid dus niet heeft gewild? Of staat gelet op het aanvankelijke van Boek 6 BW naar Boek 8 BW willen ‘doorschuiven’ van deze materie maar het uiteindelijke ‘niet- regelen’ daarvan in Boek 8 BW, de deur voor een aansprakelijkheid van de vervoerder op grond van Boek 6 BW (lees: art. 6:181) toch weer open? In ieder geval is in Boek 8 BW de aansprakelijkheid van de vervoerder voor schade door gebrekkige zaken en levende dieren in het kader van de vervoersovereenkomst uitgesloten,12 terwijl ingevolge de paardensprongregeling in art. 8:364 (jo. 8:1081) de aansprakelijkheid van de vervoerder jegens derden niet verder gaat dan zijn aansprakelijkheid uit de vervoersovereenkomst. Anderzijds is het zo dat deze regeling niet ziet op schade van derden-benadeelden maar behoudens schade aan de vervoerder zelf, betrekking heeft op schade aan de vervoerde zaken13 en op schade door vervoerde zaken toegebracht aan andere zaken die zich in het vervoersmiddel bevinden.14 De achtergrond van de voor de vervoerder bevrijdende omstandigheden met betrekking tot gebrekkige zaken en levende dieren binnen de vervoersketen is dat zij ‘difficult travelers’ zijn, waarvan het vervoer nu eenmaal bijzondere risico’s met zich kan brengen. Het wordt niet billijk geacht de vervoerder te belasten met schade binnen de vervoersketen die is toe te schrijven aan de loutere aard van de vervoerde goederen zélf.15 Schade toegebracht door een vervoerde zaak aan een derde c.q. buiten de vervoersketen betreft in mijn ogen evenwel een vraag van andere orde. Daarbij kan worden bedacht dat de vervoerder ingevolge art. 6:181 ook ‘gewoon’ kwalitatief aansprakelijk is voor de zaken en dieren waarvan hij zich bedient om zijn vervoersbedrijf uit te oefenen. Denk aan een commerciële rondrit in een huifkar voortgetrokken door een paard, waarbij een derde schade lijdt: is de oorzaak van die schade gelegen in een gebrek in de huifkar (art. 6:173) of de eigen energie van het dier (art. 6:179), dan draagt het vervoersbedrijf daarvoor ex art. 6:181 de aansprakelijkheid. Zoals gezegd, maken Boek 8 BW en de daarmee samenhangende internationaalrechtelijke aspecten geen onderwerp van deze studie uit.16 Een finaal standpunt over een kwalitatieve aansprakelijkheid van de vervoerder van zaken en dieren, zij het dus niet op grond van Boek 8 maar Boek 6 BW (art. 6:181), zal in het kader van deze studie dan ook niet worden ingenomen. Dit laat evenwel onverlet dat de vervoerder van zaken en dieren in zekere zin op een lijn is te stellen met de bewaarder daarvan. Wat in het kader van deze studie over de bewaarder in relatie tot art. 6:181 naar voren wordt gebracht, zal in beginsel dus wel relevant kunnen zijn voor de positie van de vervoerder.
In de toelichting die art. 6:181 bij zijn introductie in het Gewijzigd Ontwerp vergezelde, vormt de toelichting betreffende het bewaren en vervoeren van zaken het enige specifieke commentaar op het gebruiksbegrip van deze bepaling. In andere passages uit de toelichting op art. 6:181 wordt ‘zijdelings’ nog wel gesproken van de uitoefening van een bedrijf in een gebouw en met machines, het be- en verwerken van zaken, alsook het geval waarin een ondernemer een zaak ter verwerking in ontvangst heeft genomen of tegen vergoeding ter beschikking stelt aan een ander (zoals verhuur en leasing).17 Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat het ‘gebruiksbegrip’ van art. 6:181 niet beperkt is tot alleen de sprekende gevallen van het aanwenden van zaken als productiemiddel (gebouw, machine), maar ook toepassing kan vinden indien een zaak niet wordt ‘geëxploiteerd’ maar zélf object van de betreffende activiteit is (be-/verwerken). Ook lijkt ruimte te bestaan om het onder zich hebben van een zaak met het oog op het eigenlijke gebruik (reeds) als ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 aan te merken. Een logisch pendant daarvan zou zijn dat ook het onder zich hebben van een zaak na afloop van het eigenlijke gebruik (nog) ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 kan opleveren.18