Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/3.11.3
3.11.3 Art. 2:11 BW en de personenvennootschap als bestuurder van een rechtspersoon
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS298893:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:132 BW, aant. 6.2.
Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:132 BW, aant. 6.2.
Zie ook: Van der Heijden en Van der Grinten 1992, nr. 246.
De Groot 2011, p. 145.
Stokkermans 2016 par. 3 in combinatie met voetnoot 48 gaat bijvoorbeeld in op een nieuwe rechtsvorm, de maatschap met beperkte aansprakelijkheid (M-BA). Stokkermans merkt op dat – indien de mogelijkheid wordt geboden dat een M-BA bestuurder kan zijn van een rechtspersoon – ook art. 2:11 BW analogisch kan worden toegepast indien de M-BA niet als rechtspersoon in de zin van Boek 2 BW wordt aangemerkt.
Over het antwoord op de vraag of een personenvennootschap tot bestuurder van bijvoorbeeld een naamloze vennootschap kan worden benoemd, bestaat geen communis opinio. Als bezwaar van een dergelijke benoeming wordt gezien dat tot die personenvennootschap toetredende vennoten automatisch bestuurders van de betreffende naamloze vennootschap zouden worden en dat uittredende vennoten automatisch deze hoedanigheid zouden verliezen. Dit is in strijd met het bepaalde in de artt. 2:132 e.v. BW.1 Die artikelen bepalen dat benoeming van een bestuurder voor de eerste maal geschiedt bij de akte van oprichting en later door de algemene vergadering (art. 2:132 BW) en dat een bestuurder wordt ontslagen door degene die bevoegd is tot benoeming (art. 2:134 BW). Ook treft men in de doctrine de mening aan dat de benoeming van een personenvennootschap tot bestuurder zich niet verdraagt met het vennootschapsrecht, aangezien het op de personenvennootschappen betrekking hebbende recht op allerlei onderdelen betrekkelijk ongewis is.2 Sommigen beschouwen de benoeming van een personenvennootschap tot bestuurder als een benoeming tot bestuurder van de personen die op het moment van benoeming vennoten zijn van die personenvennootschap.3 De discussie of een personenvennootschap bestuurder kan zijn van een rechtspersoon valt buiten het bestek van dit onderzoek. Om die reden volsta ik met voormelde opmerkingen en ga ik gemakshalve uit van de geldigheid van de benoeming van een personenvennootschap tot bestuurder van een rechtspersoon.
Indien een personenvennootschap bestuurder is van een rechtspersoon, dan is art. 2:11 BW op grond van (de letter van) de wet niet van toepassing.4 Het betreffende artikel spreekt uitdrukkelijk over de aansprakelijkheid van als bestuurder van een andere rechtspersoon. Een personenvennootschap is echter geen rechtspersoon, maar een overeenkomst. Mocht het echter zo zijn dat van de tot bestuurder van een rechtspersoon benoemde personenvennootschap – wat daar ook van zij – ten minste één rechtspersoon (beherend) vennoot is, dan dient men art. 2:11 BW wel degelijk van toepassing te achten op die rechtspersoon, althans op de bestuurders van die rechtspersoon. Ware dat anders, dan zou men wel erg gemakkelijk de in art. 2:11 BW aan het zijn van (rechtspersoon-)bestuurder van een andere rechtspersoon verbonden gevolgen kunnen omzeilen.
Ten slotte wijs ik op het feit dat men in de literatuur soms de visie aantreft dat art. 2:11 BW analogisch kan worden toegepast ingeval sprake is van een personenvennootschap die bestuurder is van een rechtspersoon.5 Art. 2:11 BW is op enkele punten onduidelijk. Een punt waarop art. 2:11 BW echter wel degelijk duidelijk is, is het feit dat dit artikel betrekking heeft op rechtspersonen. Indien men art. 2:11 BW zonder wettelijke grondslag gaat toepassen op andere rechtsfiguren, komt de rechtszekerheid in gevaar. Om die reden ben ik in dit geval tegen een analogische toepassing.