Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.2.2
2.2.2 Het Romeinse burgerschap in de Republiek en het Keizerrijk: experimenteren met de uitbreiding van burgerschap
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181108:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vanwege deze experimenten in de reikwijdte van het Romeinse burgerschap, wordt het Romeinse burgerschap ook ‘elastisch’ genoemd. Zie: J. Burbank, F. Cooper, ‘Empire, droits et citoyenneté, de 212 à 1946’, Annales. Histoire, Sciences Sociales (63e année), no 3, Empires (May-June 2008), p. 501.
Riesenberg 1992, p. 57.
Ibid. Een variant op de verhouding tussen burger en de Romeinse rechtsorde vormt ‘patronage’ tussen de cliens en de patronus. De patronus – doorgaans een patriciër – zorgde voor weldaden aan zijn cliens – doorgaans een plebejer – van allerlei aard. De cliens, daarentegen, had verschillende verplichtingen tegenover zijn patronus, zoals volgzaamheid. De verhouding tussen de cliens en de patronus wordt in het proefschrift achterwege gelaten, omdat de Romeinse rechtsorde daarbij niet aan de orde is.
Riesenberg 1992, p. 58.
A. Everitt, De geboorte van Rome: de opkomst van het grootste wereldrijk aller tijden, Amsterdam: Uitgeverij Ambo Anthos 2012.
Riesenberg 1992, p. 57.
In de woorden van Riesenberg: “No Greek city had ever dared to be so generous on as grand and meaningful a scale. After the Peloponnesian War, some Greek city-states had established a federation in an effort to preserve their independence in an age of monarchical domination. The Aetolian and Achaean leagues granted citizens of member cities a citizenship in the league itself, but this was as far as the Greeks ever went in surrendering municipal individuality.” Riesenberg 1992, p. 57.
Riesenberg 1992, p. 63.
Ibid. Door deze verruiming van het volwaardige Romeinse burgerschap kwam de kleinschalige politiek, zoals gebruikelijk in de Latijnse bondgenootschapsdorpen aan de buitengrenzen van Rome, niet meer voor.
Riesenberg 1992, p. 72.
A.N.S. White, The Roman Citizenship, Oxford: Clarendon Press 1973, p. 380 e.v.; Frederick Cooper, Citizenship, Inequality, and Difference. Historical Perspectives, Princeton & Oxford: Princeton University Press 2018, p. 36 e.v.
Zie hierover de geschiedschrijver Cassius Dio, die geen fervente voorstander was van keizer Caracalla: “This was the reason why he made all the people in his empire Roman citizens; nominally he was honouring them, but his real purpose was to increase his revenues by this means, inasmuch as aliens did not have to pay most of these taxes.” Cassius Dio, Cassius Dio’s Roman History (with an English translation by Earnest Cary, on the basis of the version of Herbert Baldwin Foster), London: William Heinemann 1914, Volume 9, Boek 78, 9; Paul Keresztes, ‘The Constitutio Antoniniana and the Persecutions under Caracalla’, The American Journal of Philology, Vol. 91, no 4, 1970, p. 449 e.v.
Riesenberg 1992, p. 83.
Ibid.
Zie paragraaf 6.3.3 (‘Het sluitstuk van de idealen van 1789: de Loi Lamine Guèye (1946) en de Loi-cadre Defferre (1956)’).
Waar bij het Spartaanse burgerschap de militaire toewijding als essentieel aspect van burgerschap werd benadrukt en het Atheense burgerschap met name scharnierde rondom de sociale en culturele ontwikkeling van de burger, is bij het ontstaan en de ontwikkeling van het Romeins burgerschap voornamelijk geworsteld met de vraag wie burger is en hoe ver het burgerschapsbegrip strekt (of zou moeten strekken).1
In de begindagen van de Republiek in 509 v.Chr. waren enkel de leden van de drie stammen Ramnes, Tities en Luceres – de zogenoemde patriciërs – Romeinse burgers (Cives Romani). Deze drie stammen, die het bestuur van de Republiek in handen hadden, vormden grosso modo één tiende van de gehele bevolking van de Romeinse Republiek.2 Ruim 120 jaar later werd het Romeinse burgerschap uitgebreid naar andere stammen. Dit hield verband met de overwinning van de Galliërs op Rome in 387 v.Chr. Aangezien de stad Rome tijdens deze oorlog een fors deel van haar leger was kwijtgeraakt, werd besloten het Romeinse burgerschap uit te breiden naar de plebs die zich had ingezet in de strijd tegen de Galliërs.3 Net zoals in Sparta en Athene was gebeurd, was het de trouwe plebs die met het verkrijgen van het burgerschap werd beloond voor haar inzet in het conflict. De uitbreiding van de toekenning van het Romeinse burgerschap werd in de opvolgende eeuwen voortgezet. Zo verkreeg in 381 v.Chr. de bevolking van het Latijnse dorp Tusculum – waarvan de inwoners zich ook dienstbaar hadden opgesteld tijdens de oorlog tegen de Galliërs – het Romeinse burgerschap. Het burgerschap dat deze inwoners verkregen, had echter niet dezelfde inhoud als het volwaardige Romeinse burgerschap. Zij werden civitas sine suffragioi – burgers die uitgezonderd waren van politieke rechten die waren gekoppeld aan het Romeinse burgerschap.4 Dit hield in dat het deze burgers wel was toegestaan om zaken te doen in de stad Rome en bijvoorbeeld een vrouw te huwen die in het ‘volle’ bezit was van het Romeinse burgerschap, maar niet om zich te mengen in de politiek van de stad. Tegenover deze rechten stond dat zij gehouden waren soldaten aan te leveren indien Rome in oorlog dreigde te geraken. Deze gebieden aan de buitenranden van Rome werden dan ook gezien als potentiële rekruten voor de legioenen van Rome. Dit reservoir van burgers voorzag de stad aldus van een onmisbaar vermogen om conflicten langdurig vol te houden. Deze burgers aan de buitenranden van Rome werden socii (bondgenoten) genoemd. Tegenover de rechten die dit tweederangs burgerschap met zich bracht voor de socii, stond als gezegd de verplichting om troepen aan te leveren, mocht Rome daarom vragen.5
De uitbreiding van burgerschap naar plaatsen buiten Rome had tot doel de stad te beschermen tegen aanvallen van externen.6 Deze gang van zaken was een middel om de financiën van de stad te vergroten.7 Hoe meer socii Rome kreeg aan haar buitengrenzen, hoe meer bondgenoten die belastingen moesten betalen aan de stad het ‘tweederangs’ Romeinse burgerschap verkregen. De ongelijkheid die de gedifferentieerde invulling van het Romeinse burgerschap met zich bracht, resulteerde in de bloedige burgeroorlog van 91-88 v.Chr., die ook wel bekend staat als Bellum soci(or)um (bondgenotenoorlog). Circa dertig jaar voor de aanvang van de oorlog, rond 123/22 v.Chr., had Gaius Gracchus een voorstel van wet gedaan om alle Latijnen het volwaardige Romeinse burgerschap te verlenen. Gaius werd echter vermoord, en zijn overlijden maakte een einde aan zijn voorstel van wet.8 Vlak voor het begin van de oorlog in 91 v.Chr. deed zich een soortelijk incident voor met Quintus Poppaedius Silo, die een wetsvoorstel had ingediend om de socii het volwaardige Romeinse burgerschap te verlenen. Ook deze poging kwam niet tot ontwikkeling als gevolg van de moord op de initiatiefnemer. De bondgenoten konden op deze wijze buiten de politiek worden gehouden, aangezien enkel het volle Romeinse burgerschap toegang verschafte tot inspraak in politieke aangelegenheden.
Aan het einde van de bondgenotenoorlog, in 88 v.Chr., werd Rome gedwongen concessies te doen met betrekking tot het Romeinse burgerschap. De bondgenoten die gedurende de oorlog trouw waren gebleven aan Rome werd het volle burgerschap toegekend.9 Tegelijk met deze uitbreiding kwam vanuit de stad Rome de nadruk wel meer te liggen op de verplichtingen die de Romeinse burgers jegens Rome hadden, zoals het verlenen van militaire diensten bij een aanval en politieke betrokkenheid van de burgers in de betrekkingen van de stad.10 Niettemin hadden de nieuwe Romeinse burgers verschillende rechten tot hun beschikking, zoals het ius connubi (het huwrecht), het ius commercium (de economische positie van de burger, het recht om te procederen voor een rechtbank) en tot slot het ius suffragii (een bundeling van politieke en militaire rechten en verplichtingen).
De experimenten rondom de uitbreiding van het Romeinse burgerschap zetten zich voort in het Romeinse Keizerrijk. Een belangrijk jaar in dat opzicht is 212. In dat jaar werd de zogenoemde Constitutio Antoniniana afgekondigd door keizer Caracalla. Dit edict hield in dat aan alle vrije mannen in het Romeinse Keizerrijk het volledige burgerschap werd verleend.11 Het is omstreden wat de redenen waren achter deze uitbreiding van het volwaardige burgerschap. Sommigen menen dat Caracalla tot deze maatregel overging, omdat de uitbreiding van het burgerschap de financiering van de militaire diensten van de stad veilig zou stellen.12 Anderen brengen naar voren dat de grondgedachte achter de Constitutio Antoniniana lag in het versnellen van het proces van de zogenoemde ‘Romanization’ op het gebied van het recht en administratie.13 In die gedachtegang diende het edict ertoe om recht en bestuur in het gehele keizerrijk homogener te maken.14 Zoals zal blijken uit Hoofdstuk VI, is gedurende de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat het Franse burgerschap in 1946 uitbreidde naar de burgers van de zogenoemde territoires d’outre-mer (TOM) dit Edict van Caracalla meerdere malen aangehaald.15
Opvallend aan de ontwikkeling van het Romeinse burgerschap is dat er een wezenlijk onderscheid werd gemaakt tussen degenen die volwaardig Romeins burger waren en degenen die vanwege hun band met Rome als bondgenoten (socii) als tweederangs Romeinse burgers werden beschouwd. Meer dan in de Griekse poleis is in Rome geëxperimenteerd met de reikwijdte van het burgerschapsbegrip. Hoewel de redenen daarachter niet onomstreden zijn, is aannemelijk dat de uitbreiding van het Romeinse burgerschap doorgaans niet zozeer gepaard ging met politieke betrokkenheid van de nieuwe burgers bij het bestuur van de stad, maar veeleer de mogelijkheid schiep om in tijden van conflict gebruik te maken van de daardoor ontstane mankracht. Aan deze stelling draagt bij dat bij een uitbreiding van het burgerschap de nadruk werd gelegd op de verplichtingen die de burger ten aanzien van de stad heeft, hetgeen met name het einde van de bondgenotenoorlog toont. Eenzelfde ontwikkeling valt te ontwaren bij Kleisthenes in Athene – de uitbreiding van het burgerschapsbegrip bracht ook daar met zich dat de burgers sterker werden geattendeerd op hun (bijvoorbeeld militaire) plichten als burger.
Vanaf de opkomst van het christendom in de vierde eeuw en verder wordt het concept burgerschap gaandeweg in een christelijk perspectief geplaatst. Alvorens in paragraaf 2.3 wordt ingegaan op de wijze waarop in de christelijk-theologische literatuur de relatie tussen de (christelijke) burger en zijn aardse rechtsorde wordt geduid, zal hierna een schets worden gemaakt van de eerste stappen waarmee de rechtsbetrekking tussen de burger en zijn rechtsorde werd getheoretiseerd. De conceptuele inbedding van die rechtsbetrekking is van belang voor een goed begrip van de verdere ontwikkeling van het (christelijke) burgerschapsbegrip.