De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.6.3.3:3.6.3.3 De oorsprong van artikel 4:135 leden 2 en 3 BW
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.6.3.3
3.6.3.3 De oorsprong van artikel 4:135 leden 2 en 3 BW
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232368:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Polak 1956, p. 86; Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 4, p. 14.
Voorwaarde moet hier worden begrepen als last, Asser/Meijers-Van der Ploeg 6 1992/138.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Had de oorsprong van artikel 4:135 lid 1 BW een duidelijke juridisch-dogmatische achtergrond, heel anders is dat voor de beide overige leden van deze bepaling.
In 3.6.2.2 bleek al dat de keuze voor het verplicht stellen van de notariële akte voor de oprichting van een stichting een praktische was. Notariële bijstand zou een grote waarborg bieden voor het voldoen aan de oprichtingsvereisten en zou ook bijdragen aan een goed functioneren van de rechtspersoon. Het bestaan van de conversielast uit artikel 4:135 lid 2 BW moet ook in dat licht worden geplaatst. De wens van de wetgever tot notariële bemoeienis bij de oprichting was niet bedoeld de erflater te beperken in zijn keuze voor de vorm van zijn uiterste wil. Vandaar dat de wetgever het nodig vond een regeling op te nemen voor het geval geen notariële uiterste wilsbeschikking zou worden opgemaakt. Dit is de conversielast zoals deze thans is opgenomen in artikel 4:135 lid 2 BW.1 Maar waarom de afdwingbaarheid van deze last uit lid 3? De reden hiervoor is gelegen in artikel 1051 (oud) BW. Deze bepaling, vergelijkbaar met het huidige artikel 4:131 BW, voorzag in de vervallenverklaring van uiterste wilsbeschikkingen bij het niet ten uitvoer brengen van voorwaarden.2 Omdat bij niet-nakoming van de last tot oprichting geen belanghebbende bestaat die de vervallenverklaring zou kunnen vragen, werd het nodig gevonden voor dit geval het openbaar ministerie de bevoegdheid te verlenen de last tot oprichting af te dwingen. Op verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Justitie, is de afdwingbaarheid in artikel 1 Wos opgenomen.3 Later is deze afdwingbaarheid van de last tot oprichting van een stichting via artikel 2:288 lid 3 (oud) BW terechtgekomen in artikel 4:135 lid 3 BW.
De afdwingbaarheid van de last tot oprichting zag onder de Wet op stichtingen zowel op de conversielast als op de directe last tot oprichting van een stichting. Zoals ik al schreef in 3.5.1.4 ben ik van mening dat artikel 4:135 lid 3 BW tegenwoordig alleen nog betrekking heeft op de conversielast.