Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.5.1
10.5.1 Wettelijke responsieplicht in relatie tot de vrije selectie en waardering van het bewijs
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Een uitzondering werd gemaakt voor verweren die gericht waren op de betrouwbaarheid van anonieme getuigen of kroongetuigen. Zie ten aanzien van de anonieme getuige HR 25 september 1984, NJ 1985, 426, m.nt. Van Veen en ten aanzien van de kroongetuige HR 23 mei 1995, NJ 1995, 683, m.nt. Schalken. Beide motiveringsplichten zijn thans opgenomen in artikel 360 Sv.
HR 14 oktober 2003, NJ 2005, 182, r.o. 3.4. Zie ook HR 6 juli 1999, NJ 2000, 379 en 380, m.nt. Knigge.
Vgl. Corstens/Borgers 2011, p. 748.
Dat die gedachte onder sommige auteurs nog steeds leeft, blijkt onder meer uit de annotatie van Buruma onder HR 23 maart 2010, NJ 2010, 315.
Zie de annotatie van Reijntjes onder HR 28 november 2006, NJ 2007, 123.
HR 11 april 2006, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma.
Zie in dit verband ook Fokkens 2011, p. 190, die stelt dat de verplichting om inzicht te verschaffen in het waarom-oordeel geen beperking van de beoordelingsvrijheid betekent.
Voor de inwerkingtreding van artikel 359 lid 2 tweede volzin Sv hoefde op verweren aangaande betrouwbaarheid van getuigenverklaringen in beginsel niet uitdrukkelijk te worden gerespondeerd.1 Als het ging om de verwerping van betrouwbaarheidsverweren dan overwoog de Hoge Raad als volgt.
‘Het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap behoeft af te leggen.’2
De Hoge Raad hanteerde tot 2006 de consistente lijn dat de betrouwbaarheidsverweren hun weerlegging vinden in de gemotiveerde bewezenverklaring, zodat de verwerping geen nadere motivering behoefde. In feite betrof het hier een stilzwijgende weerlegging van het verweer: uit het feit dat de rechter de betwiste verklaring in de bewijsmiddelen had opgenomen, kon immers worden afgeleid dat de rechter deze (voldoende) betrouwbaar had bevonden.3 De gedachte was dat het eisen van een nadere motivering van de rechter omtrent de betrouwbaarheid een inbreuk zou betekenen op de rechterlijke vrijheid ten aanzien van de selectie en waardering van bewijs.4 Dit leidde ertoe dat een responsieplicht ten aanzien van de betrouwbaarheidsverweren tot voor kort in de jurisprudentie werd afgewezen.
Aan het afwijzen van een (nadere) motiveringsplicht met een beroep op de vrije selectie en waardering van bewijs, ligt impliciet de gedachte ten grondslag dat bepaalde keuzes hoogstpersoonlijk zijn en zich niet of niet eenvoudig laten uitleggen. Bij de beoordeling van getuigenverklaringen speelt dit in hoge mate. Juist bij dit type bewijsmateriaal spelen allerlei factoren een rol, die zich lastig onder woorden laten brengen. Zo kleurt de opstelling en achtergrond van de persoon van de getuige in belangrijke mate de perceptie van de waarachtigheid van diens verklaring. Lange tijd heerste dan ook het idee dat het oordeel over de betrouwbaarheid in wezen berust op een psychologisch oordeel en derhalve niet van de rechter kan worden verlangd dat hij op dit punt rekenschap aflegt. De waarborgen voor het nemen van een correcte beslissing zouden elders zijn gelegen, in de bewijsminima of de mogelijkheid tot ondervraging ter terechtzitting.5
Thans wordt wel van de rechter verlangd dat op het moment dat de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring, hierop bij vonnis wordt gereageerd. Volgens de Hoge Raad brengt de nieuwe responsieplicht geen wijziging in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, maar brengt die bepaling wel mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal dienen te motiveren.6 Duidelijk is dat men steeds verder verwijderd raakt van de gedachte dat sommige beslissingen niet vallen te motiveren en een aantasting van de rechterlijke waarderingsvrijheid behelzen. Dat laatste hoeft immers niet het geval te zijn.7 De notie dat de rechter zich op dit punt onder omstandigheden nader moet verantwoorden, veronderstelt dat nadere motivering mogelijk is en deze beslissingen meer zijn, althans meer zouden moeten zijn, dan een louter persoonlijk en subjectief oordeel.