De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.4.2:4.4.2 Vrijheid van meningsuiting van de leraar in het algemeen
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.4.2
4.4.2 Vrijheid van meningsuiting van de leraar in het algemeen
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949462:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 5 november 2019, nr. 11608/15, ECLI:CE:ECHR:2019:1104JUD001160815 (Herbai/Hongarije).
Zie onder meer: EHRM 19 oktober 2021, nr. 40072/13, ECLI:CE:ECHR:2021:1019JUD004007213 (Miroslava Todorova/Bulgarije).
Parket bij de Hoge Raad 11 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:231, ro. 4.42.
EHRM 5 november 2019, nr. 11608/15, ECLI:CE:ECHR:2019:1104JUD001160815 (Herbai/Hongarije).
De Laat 2020, par. 1.
EHRM 7 juli 2020, nr. 57462/19, ECLI:CE:ECHR:2020:0707DEC005746219 (Mahi/België).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aan de leraar komt de vrijheid van meningsuiting toe. Dit recht is onder meer vastgelegd in artikel 10 van het EVRM. Blijkens de jurisprudentie van het EHRM is deze vrijheid ook van toepassing tussen een werknemer en werkgever.1 Het is aan de rechter om te beoordelen of sprake is van inmenging in de vrijheid van meningsuiting en vervolgens om te bepalen of deze inmenging gerechtvaardigd is. Van inmenging in de vrijheid van meningsuiting is sprake als er een causaal verband bestaat tussen de uiting en de sanctie. Daarbij moet de opeenvolging van gebeurtenissen in hun totaliteit bezien worden.2 Een beperking van de vrijheid van meningsuiting kan op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM gerechtvaardigd worden. De beperking moet zijn voorzien bij wet, noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en een in dat lid genoemd belang beschermen, zoals de goede naam of rechten van anderen of het tegengaan van de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen. Hierbij spelen blijkens de rechtspraak van het EHRM de volgende factoren een rol:
context van de beperking;
het belang van de uiting;
aard en ernst van de inbreuk;
aard en ernst van de belangenaantasting die het gevolg is van de uiting;
belang van de uiting voor de betrokkene;
hoogte en aard van eventuele sancties.3
Voor werknemers zijn een aantal aanvullende factoren van belang die betrokken moeten worden bij het bepalen of sprake is van het inperken van de vrijheid van meningsuiting. Zo mag van een werknemer een zekere mate van loyaliteit en discretie verwacht worden. Daarbij spelen de vier volgende aspecten een rol, namelijk de aard van de meningsuiting, de motieven van de werknemer, de schade die de werkgever door de onthulling lijdt en de zwaarte van de opgelegde sanctie.4 Deze vier aspecten geven in het kader van uitingen een nadere invulling van het goed werknemerschap.5 Bovendien mag van een leraar in het bijzonder méér verwacht worden dan van een ander. Hij heeft een voorbeeldfunctie en is een symbool van gezag voor zijn leerlingen.6