Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.6.5
3.6.5 Leerboeken over de Grondwet (‘Staatsinrigting’) 1849 en 1850
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977307:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.R. Thorbecke, ´Over het hedendaagsch staatsburgerschap’, in: Idem, Historische schetsen, Den Haag: Nijhoff 1872, p. 84-96.
Vgl. Verslag der Commissie, (Besluit van 17 maart jl.) tot voordragt van een volledig ontwerp van Grondwetsherziening, Kamerstukken II, 1848/49; R. Aerts & H. te Velde, ‘De taal van het nationaal besef 1848-1940’, in: N.C.F van Sas (red.), Vaderland. Een geschiedenis vanaf de vijftiende eeuw tot 1940, Amsterdam: AUP 1999, p. 391-454.
I. de Haan, ´Burgerschap, sociale stratificatie en politieke uitsluiting in de 19e eeuw, in: Kloek & Tilmans, Burger, AUP 2002, p. 235-244; Remieg Aerts, ´De erenaam van burger. Geschiedenis van een teloorgang´, in: Idem, p. 319-324, T.M. Roest van Limburg, Liberalismus, Leiden: Van de Heuvel 1837 en J.A. Bornewasser, ’Ministeriële verantwoordelijkheid voor en na 1848’, Vaderlands Verleden in Veelvoud, Den Haag 1975.
M. Neustaetter, De Grondwet, omschreven (inzonderheid voor niet-rechtsgeleerden), Amsterdam: Gebrs. Kraay 1850. Neustaetter noemt de Grondwet de grondslag van het staatsrecht, ’de wet die de hoofdbeginselen der regtsbetrekkingen tusschen regeerders en geregeerden vaststelt, de wederzijdsche regten en pligten van staat en staatsburgers; de wet die den grondslag regelt, volgens welken de Nederlandsche staat is zamengesteld’ (geconstitueerd). Daarom ook: ‘constitutie, Staatsregeling, een gelijk begrip uitdrukkende’ (p. 1). Verklaarbaar is dat staatsinrichting en staatsregeling synoniemen zijn in de (voorbeeld)tabellen.
In België (1850) kent het atheneum het vak Les éléments des notions des institutions constitutionelles et administratives. Hiervan is ‘gronden’ of ‘grondslagen’ afgeleid.
H. Hemkes, Leer- en Leesboek voor de scholen over de Grondwet van het Koningrijk der Nederlanden, ’s-Gravenhage: Belinfante 1849. Aanbevolen is in De Gids (1850) een dergelijk boek op gymnasia te hanteren, met daarnaast het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafvordering om door de staatkundige vorming voorbereid te worden op de participatie in de staatkundige samenleving.
Hemkes, Voorbericht, p. 1.
Duyverman 1936, p. 13.
Ibid., p. 15. Onderscheiden is tussen staatsrechtelijke en staatkundige vorming.
D. Buddingh, De school in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en De Kerk, School en Wetenschap in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika,1e stuk, Utrecht: Kemink 1852, p. 256 en Hoogere Burgerscholen, enz., Brochures over Schoolwezen en Schoolwet tussen 1856 en 1860, Utrecht: Kemink 1858; vgl. D. Buddingh, Opvoedingsleer in de geest des Christendoms. Een Handboek voor Schoolonderwijzers en Opvoeders. Naar het Hoogduitsch van J.B. Hergenröther, s-Gravenhage: Kloots 1825.
Staatsburgerschap
Thorbecke typeert het staatsburgerschap in 1844 in Over het hedendaagsch staatsburgerschap1 als ‘de eerste drijfveer onzer eeuw’. Hij benadrukt het belang van actieve betrokkenheid van de burgerij bij het openbaar bestuur.2 Na de grondwetsherziening van 1848, waaraan disputen van de vrije liberalen en de conservatieven over de verbreding van het staatsburgerschap voorafgingen3, verschijnt Neustaetters De Grondwet4 voor de niet-rechtsgeleerde staatsburger.5 Hemkes' Leer- en Leesboek over de Grondwet ging hieraan in 1849 vooraf.6 Het Voorberigt noemt het nut van kennis over staatsinrichting, want ‘Onkunde, die vruchtbare moeder van onverschilligheid, leidt tot vele dwalingen’.7
Burgeradres: onderwijs in het vak burgerpligten op de volksschool
Na de grondwetsherziening van 1848 ontstaan meer initiatieven voor onderwijs in de staatsburgerlijke rechten en plichten. Zo wordt in 1851 in een burgeradres aan Thorbecke bepleit om het onderwijs in de burgerpligten als vak in het lager onderwijs in te voeren. Hierin moet ‘eerbied zijn voor de Staatsinstellingen met inachtneming van de godsdienstige begrippen’.8 Deze initiatieven appelleren aan Thorbeckes wens om staatsburgerlijke vorming vast te leggen in het middelbaar onderwijs.9 Ook zet de Delftse leraar Buddingh, na buitenlandse studiereizen, Thorbecke aan in 1852 tot invoering van de hbs.10