Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/2.2.2
2.2.2 Wet op het schadeverzekeringsbedrijf (1966)
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950487:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 23 september 1964, houdende bepalingen ten aanzien van het schadeverzekeringsbedrijf (Wet op het schadeverzekeringsbedrijf) (Staatsblad 1964, 409).
Verslag van de Verzekeringskamer betreffende het schadeverzekeringsbedrijf over de periode 1 september 1966 – 31 december 1967, p. 5 en p.10.
De bepalingen worden artikelsgewijs toegelicht in Van Beek 1966, p. 254-259.
Kamerstukken II 1961/62, 6545, nr. 3, p. 11: “(…) is daarbij niet uit het oog verloren, dat er verschillen tussen deze twee sectoren van het verzekeringswezen zijn aan te wijzen, welke het noodzakelijk maken op verschillende punten een afwijkende regeling te treffen. (…) In dit verband kan er op gewezen worden, dat bij de levensverzekering het spaarelement nagenoeg steeds aanwezig is. Doordat daarbij het sparen in groot verband plaatsvindt, is het mogelijk de risico’s in verband met leven en dood van de mens voor de betrokkenen afzonderlijk nagenoeg uit te schakelen. Dit brengt echter met zich mede, dat men zich door het sluiten van een overeenkomst van levensverzekering in sterke mate bindt aan een bepaalde onderneming en van het beleid van die onderneming ten aanzien van de aldus gespaarde middelen nu en in de toekomst afhankelijk wordt. Dit betekent tevens, dat, zodra een overeenkomst van levensverzekering enige tijd loopt, het verbreken van de relatie met de onderneming veelal met aanzienlijke schade voor de verzekerde gepaard gaat. Het bovenbedoelde spaarelement is bij schadeverzekering in de meeste gevallen niet of niet op gelijke wijze aanwezig. Het zich op lange termijn binden aan een bepaalde onderneming is hier ook niet essentieel, terwijl bovendien bij een schadeverzekeringsovereenkomst de kans, dat een uitkering zal moeten plaatsvinden en de overeenkomst aldus ten volle effectief zal worden, geringer wordt naarmate de contractstermijn verstrijkt.”
Boshuizen 2001, p. 262-263: “Nog altijd verschilt de regeling voor levensverzekeraars (verzetrecht) principieel met die voor schadeverzekeraars (opzegrecht) terwijl de wetsgeschiedenis hierover geen duidelijke argumenten verschaft. Impliciet zal hebben meegespeeld dat bij levensverzekering in de regel sprake is van langdurige contracttermijnen en voortijdige opzegging meestal nadelig uitpakt voor de verzekeringnemer. Een opzegrecht bij levensverzekering zou hiermee een lege huls betekenen. Bij schadeverzekering is veelal sprake van relatief kortlopende contracten en ondervindt de verzekerde doorgaans geen nadeel bij opzegging en overstap naar een andere verzekeraar.”
Kamerstukken II 1962/63, 6545, nr. 5, p. 6 (MvA).
Zie voor een toelichting aan de hand van de huidige wetgeving hoofdstuk 1.7 van dit proefschrift.
Pas op 1 september 1966 trad ook een wettelijke regeling van het schadeverzekeringsbedrijf in werking. De hierna genoemde artikelen 39 tot en met 41 waarin de portefeuilleoverdracht geregeld was, werden op 1 maart 1967 van kracht.2 Ook tijdens de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel kwam aan de orde op basis van welke criteria de Verzekeringskamer de overdracht moest beoordelen. Een speciale bepaling met de criteria werd overbodig geacht, omdat die zouden voortvloeien uit de taak van de Verzekeringskamer bij de uitvoering van deze wet. Volgens de parlementaire behandeling was die taak “in eerste linie” de bescherming en behartiging van de belangen van verzekeringnemers en verzekerden. Er werd expliciet gesteld dat daarbij op meer moet worden gelet dan alleen op de solvabiliteit. Vervolgens werd gesteld dat niet ontkend kan worden dat een overdracht in het belang kan zijn van de totaliteit der verzekeringnemers, verzekerden en schuldeisers, doch een nadeel kan betekenen voor een aantal individuele verzekerden. “Het is de moeilijke taak van de Verzekeringskamer om in een zodanig geval de verschillende belangen nauwgezet tegen elkaar af te wegen.” Aan de individuele verzekeringnemers, die zich door de overdracht geschaad voelen, staat dan de weg open hun overeenkomsten te beëindigen.3 Deze wettelijke regeling bevatte aldus een opzegrecht voor de polishouders.
“Artikel 39:
Overdracht door een onderneming van verbintenissen uit overeenkomsten van schadeverzekering zonder toestemming van degenen, die als verzekeringsnemers of verzekerden aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen, is van rechtswege nietig, tenzij deze geschiedt bij schriftelijke overeenkomst en met schriftelijke toestemming van de Verzekeringskamer. De nietigheid wordt door de rechter ambtshalve uitgesproken.
Artikel 40:
1. Een aanvraag ter verkrijging van toestemming van de Verzekeringskamer tot overdracht van verbintenissen dient vergezeld te gaan van een ontwerp-overeenkomst, waarin zo nodig een regeling is opgenomen betreffende teruggave van vooruitbetaalde premies.
2. De Verzekeringskamer deelt zo spoedig mogelijk haar beslissing schriftelijk aan de onderneming mede. Een afwijzende beslissing wordt met redenen omkleed.
3. Ingeval de gevraagde toestemming is geweigerd kan de onderneming bij Ons in beroep komen overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk VI.
Artikel 41:
1. Indien met toestemming van de Verzekeringskamer overdracht van verbintenissen heeft plaats gevonden, maakt de onderneming de overdracht openbaar door bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant en op andere door de Verzekeringskamer in het belang van de betrokken verzekeringsnemers te bepalen wijze.
2. De overdracht wordt van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden met ingang van de dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant, waarin de bekendmaking is geplaatst.
3. Bij overdracht van verbintenissen door een onderlinge waarborgmaatschappij aan een andere onderlinge waarborgmaatschappij, welke uitsluitend met haar leden verzekeringsovereenkomsten sluit, verkrijgen de betrokken verzekeringsnemers van rechtswege het lidmaatschap van die andere onderneming.
4. De betrokken verzekeringsnemers zijn gedurende negentig dagen na de dagtekening van de Staatscourant, waarin de bekendmaking is geplaatst, bevoegd de verzekeringsovereenkomst schriftelijk op te zeggen met ingang van de een en negentigste dag na die dagtekening. Indien op grond van het bepaalde in het derde lid het lidmaatschap van die andere onderneming is verkregen, eindigt dit lidmaatschap eveneens met ingang van de een en negentigste dag na de dagtekening van de Staatscourant van rechtswege.”
Ook deze wettelijke regeling van de overdracht van de schadeverzekeringsportefeuille in de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf4 bevat eigenlijk al alle kenmerken van de huidige regeling:
de overdragende verzekeraar dient de Verzekeringskamer om toestemming te verzoeken;
toestemming van de Verzekeringskamer vervangt de medewerking van de polishouders;
het opzegrecht van polishouders: de betrokken verzekeringnemers zijn gedurende 90 dagen na de dagtekening van de Staatscourant, waarin de bekendmaking is geplaatst, bevoegd de verzekeringsovereenkomst op te zeggen met ingang van de 91ste dag na die dagtekening;
de Verzekeringskamer geeft toestemming zonder een daaraan voorafgaande verklaring van aanvankelijk geen bezwaar en zonder dat polishouders tegen de voorgenomen overdracht in verzet kunnen komen (geen verzetrecht);
de overdracht kan op twee manieren plaatsvinden, namelijk met toestemming van degenen die als verzekeringnemers of verzekerden aan de verzekeringsovereenkomsten rechten kunnen ontlenen of met schriftelijke toestemming van de Verzekeringskamer.
De belangrijkste vraag die zich hier opdringt, is uiteraard waarom de regeling voor een overdracht van een schadeverzekeringsportefeuille (met een opzegrecht nadat de overdracht heeft plaatsgevonden) zo afwijkt van de regeling voor een overdracht van een levensverzekeringsportefeuille (met een verzetrecht vooraf).
De parlementaire geschiedenis met betrekking tot de specifieke bepalingen voor de overdracht van een schadeverzekeringsportefeuille geeft op die vraag geen concreet antwoord. Dat betekent dat we hiervoor terug moeten vallen op de algemene toelichting die in de Memorie van Toelichting wordt gegeven op verschillen tussen de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923 en de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf.5 Men vond het wenselijk verschil te maken, omdat iemand zich bij een levensverzekering in sterkere mate bindt aan de verzekeraar dan bij een schadeverzekering. Op basis van die algemene toelichting kunnen we veronderstellen dat aan de keuze voor een opzegrecht bij schadeverzekeringen en een verzetrecht bij levensverzekeringen de volgende gedachten ten grondslag hebben gelegen.
Opzegrecht bij schadeverzekeringen: Het verbreken van de band met de overdragende schadeverzekeraar heeft voor de polishouder in beginsel geen echte nadelen. De polishouder kan waarschijnlijk onder min of meer dezelfde condities een nieuwe verzekering sluiten bij een andere schadeverzekeraar. Bij schadeverzekeringen is er geen spaarelement en dus geen opgebouwde waarde. De toezichthouder zal ten aanzien van de overdracht van een schadeverzekeringsportefeuille de belangen van de polishouders die worden overgedragen dienen te borgen. Als een polishouder desalniettemin niet verzekerd wil zijn bij de verkrijgende verzekeraar, dan is er geen bezwaar hem de vrijheid te geven op te zeggen. Het belang van het opzegrecht in deze wettelijke regeling is nog beter te begrijpen door in gedachten te houden dat schadeverzekeringsovereenkomsten in de tijd dat deze wetgeving tot stand kwam vaak een langere duur hadden dan tegenwoordig.6 Een looptijd van vijf jaar en meer kwam vaak voor.7 Men kan daarom stellen dat het opzegrecht van een schadeverzekering zoals opgenomen in de toezichtregelgeving ten aanzien van portefeuilleoverdrachten in het verleden van groter belang voor de polishouder was dan in de huidige tijd.
Verzetrecht bij levensverzekeringen: Het verbreken van de band met de overdragende levensverzekeraar heeft voor een polishouder wel nadelen. Er zijn nadelen verbonden aan afkopen.8 Het sluiten van een levensverzekeringsovereenkomst bij een andere verzekeraar lukt waarschijnlijk ook niet onder min of meer dezelfde condities. Mogelijk zou ook de solvabiliteit van de verzekeraar in gevaar kunnen komen, indien een groot aantal polishouders de levensverzekeringsovereenkomst zou afkopen. Ten aanzien van levensverzekeringen werd het daarom logischer geacht de verzekeringnemer een verzetrecht voorafgaand aan de portefeuilleoverdracht te geven. De polishouder heeft daarmee invloed bij het bepalen of de overdracht wel of niet gaat plaatsvinden.
Kortom, het komt er in feite op neer dat het verzetrecht in 1923 is gekopieerd uit Engelse wetgeving met als achtergrond de sterke binding van een polishouder aan de levensverzekeraar, maar dat men voor schadeverzekeringen in 1966 verder wilde gaan dan alleen een verzetrecht omdat er in mindere mate een band is tussen de polishouder en de verzekeraar.