De acting in concert-regeling inzake het verplicht bod op effecten
Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.2.3.2:12.2.3.2 Drie benaderingen
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.2.3.2
12.2.3.2 Drie benaderingen
Documentgegevens:
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367608:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus De Vlaam 2006, p. 601 en Nieuwe Weme 2004, p. 172 (over toerekening binnen een gemeenschap).
Ook bij acting in concert in het kader van de meldingsplicht van hoofdstuk 5.3Wft (art. 5:45 lid 5Wft) wordt van wederzijdse toerekening uitgegaan; bij een stemovereenkomst zoals daar bedoeld wordt iedere individuele partij geacht te beschikken over de stemmen waarover de andere partij beschikt, zie AFM Leidraad voor aandeelhouders, par. 3.5.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er bestaan drie mogelijke benaderingen van toerekening van stemrechten in acting in concert-situaties. Ik bespreek deze aan de hand van een eenvoudig voorbeeld:
Voorbeeld
Aandeelhouders A, B en C sluiten een stemovereenkomst. A houdt 15%, B 10% en C 5%; A heeft binnen het samenwerkingsverband een doorslaggevende stem.
I. Wederzijdse toerekening
Bij wederzijdse toerekening wordt iedere samenwerkende aandeelhouder als gevolg van toerekening geacht evenveel stemmen te kunnen uitoefenen als alle andere samenwerkende aandeelhouders.1 In het voorbeeld wordt aan A, B en C ieder 30% van de stemrechten toegerekend, verwerft ieder voor zich dus overwegende zeggenschap en is in beginsel ieder gehouden tot nakoming van de biedplicht.2
Omdat een biedplicht voor alle samenwerkende partijen onnodig wordt geacht, geldt in verschillende van de onderzochte landen, net als in Nederland (§ 12.2.3.3), een vrijstelling voor partijen die niet de controle of de meeste stemrechten kunnen uitoefenen binnen het samenwerkingsverband.
II. Eenzijdige toerekening (individuele overwegende zeggenschap)
Bij eenzijdige toerekening worden de stemrechten van B en C uit het voorbeeld toegerekend aan A, omdat hij de dienst uitmaakt binnen het samenwerkingsverband. Dientengevolge is A degene die overwegende zeggenschap verwerft en is alleen hij biedplichtig.
Als gevolg van de eenzijdige toerekening wordt de biedplicht binnen het samenwerkingsverband direct gekanaliseerd. Een vrijstelling zoals hiervoor bedoeld is niet aan de orde. Materieel komen benadering I en II dus op hetzelfde neer.
III. Eenzijdige toerekening (gezamenlijke overwegende zeggenschap)
In deze variant worden de stemrechten van A, B en C uit het voorbeeld toegerekend aan elkaar, maar niet wederzijds. Dit leidt ertoe dat zij wel gezamenlijk, maar niet individueel overwegende zeggenschap verwerven. In deze benadering rijst ook niet een biedplicht voor de individuele deelnemers, maar enkel voor hen gezamenlijk.
Deze benadering veronderstelt een toerekeningssubject buiten de samenwerkende partijen. Bij toerekening aan de samenwerkende partijen zou er immers sprake zijn van wederzijdse toerekening (benadering I). Als toerekeningssubject komt het samenwerkingsverband als zodanig in aanmerking, maar dit lijkt – naar Nederlands recht althans – enkel mogelijk als het samenwerkingsverband rechtssubjectiviteit bezit (§ 13.4.2.3).