Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/3.3.2.4
3.3.2.4 Ook al zou de civielrechtelijke route van art. 6:159 BW openstaan voor de levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar, dan zou deze daar waarschijnlijk toch niet voor kiezen
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949880:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/674. Daar wordt opgemerkt dat de mogelijkheid van tussentijdse beëindiging door de verzekeraar de zekerheid die de levensverzekering juist beoogt te verschaffen, teniet zou doen. In hoofdstuk 1.7 van dit onderzoek heb ik de aspecten besproken van het opzeggen van een levensverzekeringsovereenkomst of natura-uitvaartverzekeringsovereenkomst door de polishouder. Enkele van de daar genoemde aspecten zouden mijns inziens ook aan de orde zijn, indien de levensverzekeraar of de natura-uitvaartverzekeraar de verzekeringsovereenkomst zou kunnen opzeggen. Het bedrag dat de polishouder in dat geval van de verzekeraar zou ontvangen, zou waarschijnlijk gelijk zijn aan de afkoopwaarde van de verzekering. De afkoopwaarde van een levensverzekeringsovereenkomst of natura-uitvaartverzekeringsovereenkomst is relatief laag, wat financieel ongunstig is voor de polishouder. Daarbij komt dat de klant inmiddels ouder is geworden, zodat hij indien hij bij een andere verzekeraar een nieuwe verzekering wil sluiten waarschijnlijk vervolgens een hogere premie moet betalen om op een bepaalde einddatum het financiële doel te realiseren. Ook kan het zijn dat hij inmiddels medische klachten heeft gekregen waardoor hij bij een andere levensverzekeraar meer premie moet betalen voor een dergelijke levensverzekering.
Art. 7:968 BW. Zie verder hoofdstuk 5.6.2.2 en 5.6.2.3 van dit proefschrift.
Zie ook Clausing, Het Verzekerings-Archief 2001, afl. 2, p. 78-81 die er voor het geval van een verzoek van een verzekeringnemer tot overdracht van de rechten en verplichtingen uit een individuele levensverzekering (thans: art. 3:112 lid 3 Wft) vanuit gaat dat niet alleen de verzekeringnemer zijn medewerking in de zin van art. 6:159 BW aan de overdracht door de overdragende verzekeraar aan de verkrijgende verzekeraar moet verlenen, maar ook de derde-begunstigde die zijn aanwijzing als begunstigde heeft aanvaard.
Naar mijn mening hoeft niet te worden overwogen om voor de levensverzekeraar en de natura-uitvaartverzekeraar naast de toezichtrechtelijke route ook de civielrechtelijke route open te stellen. Indien de civielrechtelijke route zou worden opengesteld, dan zou de levensverzekeraar of natura-uitvaartverzekeraar die zijn verzekeringsportefeuille wil overdragen aan een andere verzekeraar daar (zelfs al zou het om een kleine portefeuille gaan) naar mijn mening namelijk toch nooit voor kiezen. Ik baseer die gedachte op het volgende.
1. Art. 6:159 BW vereist voor een rechtsgeldige contractsoverneming een akte en de medewerking van de wederpartij. Indien door de wederpartij geen medewerking wordt verleend, dan blijft de overdragende verzekeraar “met deze polissen zitten”. Er vindt dan geen contractsoverneming plaats. Zoals hierboven beschreven kunnen een schadeverzekeraar en een herverzekeraar “achterblijvende” verzekeringsovereenkomsten dan per prolongatiedatum opzeggen. Op grond van het bepaalde in art. 7:977 BW kunnen levensverzekeringsovereenkomsten niet door de verzekeraar worden opgezegd of ontbonden. De reden hiervoor is het bijzondere belang dat de verzekeringnemer heeft bij zijn levensverzekering.1 Deze bepaling is dan ook van dwingend recht (art. 7:986 lid 2 BW).2 Het bepaalde in art. 7:976 lid 1 BW impliceert dat art. 7:977 BW ook van toepassing is ten aanzien van natura-uitvaartverzekeringen. Bij levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen is er sprake van lange contractstermijnen. Indien bij levensverzekeringen en natura-uitvaartverzekeringen de civielrechtelijke route zou worden gevolgd en polishouders zouden hun medewerking weigeren, dan blijft de overdragende verzekeraar dus nog lang “met deze polissen zitten”, omdat hij deze niet kan opzeggen of ontbinden. Omdat de overdragende verzekeraar een reden zal hebben gehad waarom hij de desbetreffende verzekeringen niet meer in zijn verzekeringsportefeuille wenst te hebben, zal hij dat onwenselijk vinden.
2. Daarbij komt dan nog het volgende. Op grond van het bepaalde in art. 7:972 BW kan bij sommenverzekeringen de verzekeringnemer zijn uit de overeenkomst voortvloeiende rechten slechts uitoefenen met schriftelijke toestemming van de derde-begunstigde, wanneer de aanwijzing van die derde-begunstigde onherroepelijk is, dus onder meer indien de derde-begunstigde de begunstiging heeft aanvaard.3 Dat roept de vraag op of in geval van een onherroepelijke begunstiging de levensverzekeraar niet alleen de polishouder om medewerking aan een voorgenomen contractsoverneming zou moeten verzoeken, maar of hij ook aan de polishouder moet vragen om (voordat deze polishouder zijn medewerking verleent) de schriftelijke toestemming van de derde-begunstigde te vragen. Art. 7:972 lid 2 BW bepaalt dat indien de uitoefening van een recht niet zou leiden tot wijziging van de rechtspositie van de begunstigde diens toestemming niet is vereist.4 Ik denk dat men goed kan verdedigen dat er wel sprake is van een wijziging van de rechtspositie van de begunstigde indien hij zijn rechten jegens een andere verzekeraar moet uitoefenen.5 Het volgen van de civielrechtelijke route zou dan ook snel voor een kleine portefeuille van levensverzekeringen of natura-uitvaartverzekeringen voor de verzekeraar een complex administratief proces kunnen worden.