Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.3.5
12.3.5 Getuigen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940220:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het tegenbewijs kan op alle mogelijke manieren worden geleverd, bijvoorbeeld door de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid aan te tasten. Ook kan tegenwicht worden geboden aan eenzijdige en onvolledige vraagstellingen van de zijde van de overheid, waardoor een vertekend beeld heeft kunnen ontstaan.
EHRM 20 november 1989 (Kostovski), NJ 1990, 245, par. 40.
Vgl. de casus uit HR 19 februari 2013 (strafkamer), NJ 2013/191, waarin het ging om een ambtsedig proces-verbaal met daarin opgenomen een getuigenverklaring.
Op welke wijze de gelegenheid tot ondervraging moet worden geboden is echter niet geheel duidelijk, zie Feteris 2002, p. 256-257, alwaar ook ruime verwijzingen zijn te vinden. Wel duidelijk is dat het initiatief voor het kruisverhoor bij de boeteling mag worden gelegd.
Artikel 8:63 Awb juncto art. 179 lid 2 Rv.
Feteris 2002, p. 254.
EHRM 15 december 2011 (Al-Khawaja en Tahery), nr. 26766/05 en nr. 22228/06, EHRC 2012, 56, NJ 2012/283, par. 119 en 147, EHRM 10 juli 2012 (Vidgen), nr. 29353/06, NJ 2012/649, EHRM 3 mei 2012 (Salikhov), nr. 23880/05, par. 114, EHRM 19 juli 2012 (Hümmer), nr. 26171/07.
HR 20 april 2021 (strafkamer), NJ 2021/173. Zie voorts HR 19 februari 2013 (strafkamer), NJ 2013/191, HR 29 januari 2013 (strafkamer), NJ 2013/145 en de noten van Schalken bij deze arresten over de vraag hoe dat steunbewijs past in het EHRM-stappenplan. Vgl. ook (ten aanzien van anonieme getuigen) art. 344a lid 3 onder a Sv.
Zie voor een voorbeeld: HR 23 juni 2015 (strafkamer), NJB 2015/1345.
Aldus A-G Wattel in zijn Conclusie voor HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, par. 6. Hij noemt als voorbeelden: EHRM 14 februari 2002 (Visser), NJ 2002, 378 en HR 4 juni 2002, NJ 2002, 416.
Zie voor een voorbeeld HR 27 februari 2004, BNB 2004/225.
HR 18 december 2015, V-N 2015/66.4, BNB 2016/39, waarover nader in paragraaf 7.3.6.4.3.
De boetes waren na het overlijden van de belastingplichtige ambtshalve vernietigd (zie paragraaf 9.4.16).
HR 24 november 2017, V-N 2017/58.5, waarover nader in paragraaf 7.3.7.3.2.
EHRM 23 april 1997 (Van Mechelen e.a.), NJ 1997/635, par. 58 e.v..
HR 24 november 2017, V-N 2017/58.5, r.o. 2.3.6. Dat probleem speelt vooral bij getuigen à charge. In de berechte casus ging het echter om anonieme getuigen à décharge (aangedragen door de belastingplichtige).
Die terughoudendheid komt ook naar voren uit de overweging dat de procesrechtelijke regels uit de Awb die zien op het oproepen en horen van getuigen ter zitting (art. 8:33 lid 3 en art. 8:60 lid 3 Awb), haaks staan op het verborgen houden van de identiteit van die getuigen, zie HR 24 november 2017, V-N 2017/58.5, r.o. 2.3.1.
Overigens is de boeteling geenszins gehouden om getuigenbewijs te leveren door de getuige fysiek ten overstaan van de rechter te brengen. Gelet op de vrije bewijsleer kan hij immers ook een verklaring van de getuige inbrengen.
Feteris 2002, p. 254.
Zie paragraaf 7.3.7.3.2.
Zie in dit verband EHRM 15 maart 2016 (Gillissen), nr. 39966/09, AB 2016/132, par. 50 e.v.. Uit HR 24 mei 2019, V-N 2019/26.21, r.o. 2.3.2 kan worden afgeleid, dat de Hoge Raad de rechtsregels uit dit arrest ook reeds in de sfeer van de heffing toepast.
Zie paragraaf 7.3.7.3.2. Zie voorts paragraaf 12.3.4.1 en Feteris 2002, p. 258. Vgl. in dit verband het in het strafrecht aangebrachte onderscheid tussen het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium, dat specifiek is toegesneden op de regeling omtrent getuigen uit het Wetboek van Strafvordering. Zie daaromtrent het overzichtsarrest HR 1 juli 2014 (strafkamer), NJ 2014, 441, r.o. 2.4 e.v..
In boetezaken geldt voor de bewijsvoering door middel van getuigen een bijzondere regeling. Art. 6 lid 3 onder d EVRM garandeert enerzijds expliciet het recht aan de boeteling om getuigenverklaringen à décharge als bewijsmiddel in te brengen. Anderzijds heeft de boeteling het recht om de door de overheid opgevoerde getuigen à charge te ondervragen. Dat laatste behelst dus een recht op kruisverhoor, zodat tegenbewijs kan worden geleverd.1
De getuige in de zin van het Nederlandse bestuursprocesrecht is degene die op de zitting een verklaring aflegt onder de regie van de rechter. Het begrip ‘getuige’ uit art. 6 EVRM heeft echter een autonome betekenis, die nader is ingevuld door de jurisprudentie van het EHRM. Als getuige in de zin van art. 6 lid 3 onder d EVRM kwalificeren ook personen die buiten de zitting een schriftelijke of mondelinge verklaring hebben afgelegd, die vervolgens door de rechter voor de bewijsconstructie wordt gebruikt.2 Deze betekenis is dus ruimer.3 Naar mijn mening zal de rechter een verzoek van de boeteling om een persoon wiens verklaring door de inspecteur is gebezigd voor het bewijs ter zitting te ondervragen, in beginsel steeds moeten honoreren.4
Afgezien van de reikwijdte van het begrip getuige, lijkt de regeling van het getuigenbewijs in het Nederlandse bestuursprocesrecht op hoofdlijnen te voldoen aan de eisen die art. 6 EVRM stelt.5 Een mogelijk probleem schuilt in de bevoegdheid van de rechter om de getuige te verhinderen om een bepaalde vraag te beantwoorden.6 Dat is volgens Feteris slechts in uitzonderlijke situaties toegestaan.7 Een vergelijkbaar probleem is gelegen in het verschoningsrecht, dat voor bepaalde getuigen (zoals naaste verwanten van de boeteling) in algemene zin geldt. Ook kan een getuige zich verschonen als hij zichzelf of een naaste verwante zou incrimineren met zijn getuigenis.8 Op grond van de jurisprudentie van het EHRM geldt geen absoluut verbod op dergelijke belemmeringen van het ondervragingsrecht. Het enkele feit dat een verdachte is veroordeeld op grond van de verklaring van een getuige die hij niet zelf heeft kunnen ondervragen, levert niet automatisch een schending van art. 6 lid 3 onder d EVRM op. Het EHRM toetst in dergelijke gevallen eerst of de reden van de belemmering op zichzelf bezien aanvaardbaar is. Als een goede reden ontbreekt, dan is reeds daarom sprake van een schending van de fair hearing. Als er wél een goede reden is, dan is van belang of de getuigenis in de bewijsconstructie het enige of doorslaggevende bewijsmiddel heeft gevormd (sole or decisive). Is dat inderdaad het geval, dan toetst het EHRM in hoeverre het ontbreken van de mogelijkheid om de betreffende getuige à charge te ondervragen, is gecompenseerd door andere procedurele waarborgen, en of daardoor als geheel toch sprake is van een fair hearing.9 De strafkamer van de Hoge Raad lijkt dit stappenplan van het EHRM op hoofdlijnen te volgen. Daarbij acht de Hoge Raad het met name van belang of de getuigenverklaring in enigszins belangrijke mate steun vindt in de andere bewijsmiddelen.10
Het gebruik van een verklaring van een getuige die de boeteling niet zelf heeft ondervraagd, leidt dus niet zonder meer tot een schending van art. 6 EVRM, ook al vormt die verklaring het ‘sole or decisive’ bewijs. Van een dergelijke schending is pas sprake, als er ter compensatie onvoldoende procedurele maatregelen zijn getroffen. Daartoe behoort in ieder geval de mogelijkheid om de betrouwbaarheid van de doorslaggevende getuigenis op enig moment in de procedure ter discussie te stellen.11
Verklaringen van anonieme getuigen à charge worden in een strafprocedure waarop art. 6 EVRM van toepassing is, in beginsel niet als doorslaggevend bewijs aanvaard.12 Hoewel het gebruik van anonieme getuigen in fiscalibus minder gebruikelijk is dan in penalibus, komt dit wel degelijk voor.13 Het meest in het oog springende geval is in dit verband de anonieme tipgever uit de roemruchte tipgeverszaak geweest.14 Uit het eerste in die zaak gewezen arrest leid ik af dat de rechter een belangenafweging moet maken tegen de achtergrond van art. 8:31 Awb. De rechter kan uit de omstandigheid dat de inspecteur ten onrechte (want zonder voldoende gewichtige redenen als bedoeld in art. 8:29 Awb) blijft volharden in de geheimhouding van de identiteit van de getuige, de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. In het betreffende arrest hoefde de Hoge Raad geen afzonderlijk oordeel te geven over de boetes.15 Als de Hoge Raad daartoe wél geroepen was geweest, zou de Hoge Raad bij de te verrichten belangenafweging naar mijn mening een onderscheid hebben moeten maken tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete. Ten opzichte van de sfeer van de heffing zorgt de extra waarborg van art. 6 lid 3 onder d EVRM er dan voor, dat die belangenafweging in de boetesfeer eerder in het nadeel van de inspecteur uitvalt. Het uit die waarborg voortvloeiende recht van de boeteling om de getuige à charge te ondervragen of zijn betrouwbaarheid ter discussie te stellen, wordt door de geheimhouding van zijn identiteit immers effectief gefrustreerd.
De Hoge Raad heeft in een later gewezen arrest de deur voor het gebruik van anonieme getuigen op een kleine kier gehouden.16 Daarbij heeft de Hoge Raad een parallel getrokken met de regeling van de anonieme getuigen in het strafrecht:17 áls het horen van anonieme getuigen in het belastingrecht al mogelijk zou zijn, moeten er in ieder geval zeer zwaarwegende gronden bestaan, in de sfeer van de gezondheid of veiligheid van de getuige of van andere personen.18 In dit arrest maakte de Hoge Raad geen onderscheid tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete, maar verwees hij wel nadrukkelijk naar art. 6 EVRM.19 Naar mijn indruk heeft de Hoge Raad daarmee aangegeven dat in ieder geval in boetezaken buitengewoon terughoudend moet worden omgegaan met verklaringen van anonieme getuigen.20
De boeteling heeft volgens het nationale procesrecht weliswaar het recht om getuigen op te roepen of mee te brengen naar de zitting,21 maar hij kan niet afdwingen dat een bepaalde getuige daar ook daadwerkelijk verschijnt.22 Alleen als de rechter zelf een getuige oproept, ontstaat voor deze getuige ook daadwerkelijk een verschijningsplicht.23 Geeft een getuige geen gehoor aan een oproep van de boeteling, dan zal de rechter in het licht van art. 6 lid 3 onder d EVRM naar mijn mening in beginsel steeds gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid om deze getuige zelf op te roepen.24 Feteris meent dat de rechter slechts gehouden is om de getuige op te roepen als de kans bestaat dat de getuige een voor de boeteling gunstige verklaring aflegt.25 Die beperking is naar mijn mening niet in lijn met de ruime waarborg van art. 6 lid 3 onder d EVRM, aangezien daarin niet als voorwaarde ligt besloten dat verwacht moet of mag worden dat de getuigenverklaring van positieve invloed zal zijn op de positie van de verdediging. Bovendien is die waarborg niet beperkt tot getuigen à décharge: de boeteling moet immers ook de gelegenheid krijgen om getuigen à charge aan de tand te voelen om bijvoorbeeld hun betrouwbaarheid in twijfel te trekken. Iets dergelijks geldt ook als de door de boeteling opgeroepen getuige wél is verschenen, maar de rechter overweegt om af te zien van het horen van de getuige omdat hij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.26 Naar mijn mening zou de rechter deze bevoegdheid in boetezaken uiterst terughoudend moeten gebruiken, aangezien pas tijdens de ondervraging kan blijken dat een getuige toch van waarde is voor de verdediging. Hierbij gaat het dus in wezen om een andere, op de waarborg van art. 6 EVRM afgestemde invulling van het ‘redelijkerwijs’-criterium. Het uitgangspunt in boetezaken zou moeten zijn dat een getuigenis als regel eerder redelijkerwijs kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak dan in zaken waarin het (alleen) gaat om de heffing. Hetzelfde geldt naar mijn mening bij de toepassing van het ‘zinvol’-criterium, dat aan de orde is als de rechter (al dan niet op verzoek van een partij) ambtshalve overweegt om getuigen op te roepen.27 Hoewel de rechter bij die afweging een grotere vrijheid heeft dan bij het ‘redelijkerwijs’-criterium, zou hij in boetezaken in het algemeen sneller van zijn bevoegdheid gebruik moeten maken. Het horen van een getuige zal eerder zinvol zijn als er sprake is van een fiscale bestuurlijke boete, vooral als de getuigenis doorslaggevend zou kunnen zijn voor de beslissing.28
Ten opzichte van de sfeer van de heffing kunnen er dus verschillen ontstaan. Voor wat betreft getuigen à décharge moeten de in de jurisprudentie van de Hoge Raad aanvaarde gronden om een bewijsaanbod te passeren, restrictief worden uitgelegd.29 Slechts wanneer op voorhand duidelijk is dat de getuigenverklaring in het geheel niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, mag de rechter in boetezaken afzien van het oproepen van de getuige. Voor wat betreft getuigen à charge zal de rechter zoveel mogelijk moeten waarborgen dat de boeteling zijn ondervragingsrecht ook daadwerkelijk kan uitoefenen. Ten slotte gelden deze waarborgen ook voor getuigen buiten de context van de zitting.