Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.9:7.9 Tot besluit
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.9
7.9 Tot besluit
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De vraag is wel of het toetsen van alternatieve scenario’s voldoende aandacht krijgt.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Nederlandse wettelijk bewijsstelsel biedt randvoorwaarden waarbinnen de beslissing tot stand moet komen en laat daarbij een grote waarderingsvrijheid aan de rechter. Het bewijsrecht is een terrein dat sterk in beweging is, in die zin dat de laatste jaren kritischer en op een andere manier naar bewijsvragen wordt gekeken. Met name het waarschijnlijkheidsdenken en het denken in termen van alternatieve scenario’s dringt steeds verder door in beschouwingen over bewijs en de rechtspraak, hetgeen onder meer is terug te zien bij de invulling van de rechterlijke overtuiging en de motiveringsplicht. Dit is mede het gevolg van technische ontwikkelingen binnen het strafrechtelijk onderzoek, waardoor steeds vaker deskundigen worden ingeschakeld. Deze deskundigen worden weliswaar ingezet met een concrete opdracht maar brengen wel hun methoden en denkwijzen mee in het strafproces. Daarbij zijn er deskundigen die als gevolg van het unieke inkijkje dat zij hebben gekregen in het strafproces, in de literatuur (kritisch) zijn gaan reflecteren op de in het strafproces gangbare werkwijzen. Als gevolg van rechterlijke dwalingen lijkt de laatste jaren een grotere ontvankelijkheid te bestaan voor andere zienswijzen en kritische reflectie.
Niettemin hebben juristen de neiging om in het debat met buitenstaanders sterk de eigenheid van het juridisch bedrijf te benadrukken, hetgeen nog wel eens leidt tot misverstanden en onbegrip tussen juristen en niet-juristen. Een goed voorbeeld is de discussie over de omvang van de bewijsbeslissing. Er wordt van juridische zijde zoveel nadruk gelegd op de specifieke strafrechtelijke beperkingen, dat soms voorbij wordt gegaan aan de universele of algemene grondslagen van het proces van bewijzen en aan dat waar het ook in de strafrechtelijke context in de kern om gaat, namelijk het toetsen of de verdachte het strafbare feit dat hem ten laste is gelegd in werkelijkheid heeft begaan. De kloof tussen juristen en niet-juristen is in de praktijk echter minder groot dan deze lijkt. Rechters toetsen in de praktijk wel degelijk alternatieve scenario’s maar benoemen deze niet als zodanig (hoewel de term scenario steeds vaker terug te zien valt in strafrechtelijke vonnissen).1 Het is uitdrukkelijk niet mijn bedoeling om daarmee het probleem van de uiteenlopende opvattingen over de taak van de rechter ten aanzien van het bewijs te bagatelliseren. De empirische kant van het rechterlijk beslisproces is in de juridische literatuur duidelijk lange tijd onderbelicht gebleven.