De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.2.2:4.8.2.2 Primair onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.2.2
4.8.2.2 Primair onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949617:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 12 van de Wpo.
Artikel 10 van de Wms.
Artikel 13 van de Wpo.
Artikel 45b, derde lid, van de Wpo (Kamerstukken II 2021/22, 35 671, A). Zie hierover uitgebreider Buiting 2021.
Artikel 2, tweede lid, van het Toetsbesluit PO.
Artikel 9b van de Wpo en het Toetsbesluit PO.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het schoolplan moet het bevoegd gezag van een basisschool beleid vastleggen met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs.1 Dit omvat onder meer het kwaliteits- en onderwijskundig beleid, zoals de doelstelling en de inhoud van het onderwijs. Ook omvat het schoolplan het personeelsbeleid. Zo wordt onder meer vastgelegd hoe de leraar voldoet aan de bevoegdheidseisen, hoe hij zijn bekwaamheid onderhoudt en hoe hij pedagogisch-didactisch moet handelen. De medezeggenschapsraad heeft instemmingsrecht op de vaststelling of wijziging van het schoolplan.2 Naast het schoolplan moet het bevoegd gezag een schoolgids opstellen. Die gids bevat informatie voor de leerling en hun ouders over onder meer de doelen van het onderwijs.3
Het primair onderwijs wordt afgesloten met de doorstroomtoets en het schooladvies. Sinds 1 augustus 2023 moet in de schoolgids opgenomen worden hoe het (definitieve) schooladvies tot stand komt.4 Daarbij moet worden vermeld welke factoren mee worden gewogen bij het schooladvies. Door dit op te nemen in de schoolgids kunnen ouders hierover tijdig het gesprek met het bevoegd gezag aangaan.5 In de Wpo is daarnaast bepaald dat het bevoegd gezag vanaf het schooljaar 2022-2023 het schooladvies moet gaan afgeven in de periode van 10 januari tot en met 31 januari (voordien was niet bepaald wanneer het schooladvies afgegeven moest worden).6 Ook dient het bevoegd gezag een leerling- en onderwijsvolgsysteem te gebruiken.7 Dit systeem bevat toetsen voor groep 1 tot en met 8, waarmee in elk geval de kennis en vaardigheden van leerlingen op het terrein van de Nederlandse taal en rekenen en wiskunde gemeten worden.8 Hiermee kan de ontwikkeling van de leerling gedurende zijn hele schoolloopbaan gevolgd worden. Hoewel dit niet direct uit de wet blijkt, liggen de gegevens die met het leerling- en onderwijsvolgsysteem verzameld worden mede ten grondslag aan het schooladvies.9
Uit het voorgaande blijkt dat het bevoegd gezag veel ruimte heeft om zelf te bepalen hoe het schooladvies tot stand komt, welke afweging daarbij wordt gemaakt en wie daarbij wordt betrokken. Dit is anders bij de doorstroomtoets, deze toets werd in het verleden ook wel de CITO- of eindtoets genoemd. Het bevoegd gezag kan bepalen welke van de verschillende doorstroomtoetsen afgenomen wordt.10 In wetgeving is echter bepaald op welk moment deze toets wordt afgenomen en dat de toetsaanbieder de toets opstelt en beoordeelt.11 Ten aanzien van de doorstroomtoets heeft het bevoegd gezag dan ook nauwelijks meer ruimte om, behoudens de keuze voor een bepaalde doorstroomtoets, eigen regels te stellen.