Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.9:9.9 Tot besluit
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.9
9.9 Tot besluit
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het continentale strafproces is een belangrijke waarborg van de accuratesse van de rechterlijke beslissing omtrent de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen gelegen in het onmiddellijkheidsbeginsel, dat vereist dat getuigen worden gehoord ter terechtzitting ten overstaan van de rechter en partijen alvorens hun verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het onmiddellijkheidsbeginsel ligt ook aan het Nederlandse strafproces ten grondslag, maar dit beginsel is zowel in theorie als praktijk ver verwijderd geraakt van zijn dogmatische beginpunt. De Nederlandse procestraditie wordt gekenmerkt door een hoog schriftelijk karakter en een sterk inquisitoir getinte stijl van procederen, in die zin dat de rechter voor het bewijs veelal terugvalt op de schriftelijke verklaringen neergelegd het dossier zonder de oorspronkelijke zegspersoon zelf te horen. Getuigen worden in beginsel niet door de zittingsrechter of zittingscombinatie gehoord, tenzij de verdediging daar uitdrukkelijk om vraagt of in het (uitzonderlijke) geval de rechter daar ambtshalve aanleiding toe ziet. Dat getuigen anders dan in een aantal van de ons omringende landen niet ter zitting worden gehoord, is niet zozeer het gevolg van een andere invulling van het onmiddellijkheidsbeginsel, maar van het feit dat de praktijk zich in een andere richting heeft ontwikkeld. Als reden voor de uitholling van het onmiddellijkheidsbeginsel wordt veelal het De auditu-arrest genoemd, dat onmiskenbaar een grote stempel heeft gedrukt op de Nederlandse wijze van procederen. Het gebrek aan onmiddellijkheid is daarnaast in belangrijke mate ook ingebakken in onze procescultuur. Ondanks pogingen daartoe van de wetgever van 1926 is het niet gelukt om geheel afstand te nemen van de inquisitoire stijl van procederen op basis van de schriftelijke stukken. Hoewel onder invloed van de jurisprudentie van het EHRM de procedure een meer onmiddellijk karakter heeft gekregen, wordt in de Nederlandse procespraktijk nog steeds sterk geleund op processen-verbaal uit het vooronderzoek.
De vraag naar de wenselijkheid van een meer onmiddellijke procesvoering moet evenwel onbeantwoord blijven, zolang niet (empirisch) is aangetoond dat een onmiddellijke procesvoering meer accurate beslissingen genereert dan een middellijke procesvoering. Voorgaande laat onverlet dat binnen bestaande processtructuur en -cultuur wel verbeteringen mogelijk zijn. Elk stelsel kent zijn zwakke en sterke punten, zowel epistemologisch als wat betreft de realisatie van andere doelen. Ons strafproces is efficiënt en relatief weinig belastend voor de getuige die daar tegen zijn wil bij betrokken wordt. Een zwaar accent op het vooronderzoek en op de stukken neergelegd in het dossier vraagt echter om compenserende waarborgen binnen dat vooronderzoek als het gaat om de totstandkoming van bewijsmateriaal en stelt ook eisen aan de attitude van de rechter ten aanzien van de waardering van het materiaal neergelegd in het dossier. Een deel van die compensatie zou kunnen worden gevonden in de ontwikkelingen met betrekking tot het videoverhoor en het digitaal dossier. Dit biedt in potentie de mogelijkheden om meer rechtstreeks kennis te nemen van de inhoud van de bewijsbron. Echter, niet alle problemen kunnen worden ondervangen door meer waarborgen in het vooronderzoek en een betere toegang tot het oorspronkelijke bewijs met behulp van de audiovisuele techniek. In bepaalde gevallen is het horen van getuigen onontbeerlijk, zeker in die gevallen waarin het bewijs in beslissende mate op hun beweringen berust. Het ondervragen van getuigen en het kritisch bekijken van de verklaringen die zijn afgelegd, is vermoedelijk de enige manier om belief perseverance en confirmation bias tegen te gaan. Nu bestaat een reëel gevaar dat het verhaal zoals verwoord in de tenlastelegging te vroeg voor waar wordt gehouden en informatie die op een later moment naar boven komt onvoldoende gewicht krijgt in het beslisproces, omdat de verklaringen waarop het in de tenlastelegging verwoorde verhaal is gebaseerd niet voldoende kunnen worden getoetst. De getuige is niet ter terechtzitting aanwezig om zijn eerdere verklaringen bij te stellen of aan te vullen en er is geen gelegenheid voor de rechter en de verdediging om op punten kritisch door te vragen en op die manier de verklaring te verankeren. Onderzoek gericht op falsificatie vereist evenwel dat wordt gekeken naar mogelijk alternatieve verklaringen voor hetgeen door getuigen in een zaak naar voren is gebracht. Daarvoor lijkt – ondanks alle bezwaren tegen een te strikte toepassing van het onmiddellijkheidsbeginsel – de rechtstreekse ondervraging (door de persoon die ook de uiteindelijke beslissing moet nemen) toch nog steeds het meest geëigende middel.