Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.8.3
2.2.8.3 Na de Tweede Wereldoorlog: burger in de verzorgingsstaat
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977178:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
G. van der Leeuw, Onderwijsvernieuwing. Landelijk Congres april 1946, Utrecht, p. 8-12.
Duynstee 1956, p. 67-70.
Hermesdorf 1965, p. 25.
Ibid., p. 75.
Vgl. Hirsch Ballin 2013, p. 8.
H.E.S. Woldring, ’Bijzonder onderwijs en de sociale cohesie in de samenleving’, in: Van der Ploeg e.a. (red.) 2000, p. 238-242.
Vgl. Oidel, Freedom of education index. Worldwide report 2016, Rome: Fondazione 2016 en E.M.H. Hirsch Ballin, Burgerrechten, (oratie UvA), Amsterdam: AUP 2011.
H.R. van Gunsteren, Eigentijds burgerschap, ’s-Gravenhage: WRR 1992, p. 18; J.C.C. Rupp & A.A. Wesselingh, Burgerschap, onderwijs en de publieke sfeer; de invloed van gezins- en schoolkenmerken op politieke participatie van jongeren, Amsterdam: NWO 1994.
Ibid., p. 20.
Ibid., p. 7.
W.K.B. Hofstee, ‘Een curriculum voor burgerschap?’, in: H.R. van Gunsteren & P. den Hoed (red.), Burgerschap in praktijken, dl 1, Den Haag: WRR 1992, p. 272, 278. Als ingrediënten zijn voor gammakunde voorgesteld: een bestand van ‘mechanismen’, als het commons' dilemma, het feedforward of incentive-effect, het ‘private vices, common benefits’-effect, oligarchievorming en het mechanisme van ‘periodieke participatie’.
Gemeenschapsvorming en wederopbouw: socialisatie en kwalificatie
Na de Tweede Wereldoorlog voeren de overheden en de maatschappelijke organisaties de druk op om de staatsburgerlijke en maatschappelijke vorming krachtiger ter hand te nemen. De opbouw van Nederland is mede afhankelijk van gemotiveerde burgers die in staat zijn te participeren in de wederopbouw. De jeugd moet leren de voet in de stijgbeugel te houden, de handen uit de mouwen te steken en ze ineen te slaan voor de wederopbouw, samen met ouders, de school en de overheden als evenzovele deelnemers in de democratische rechtsstaat.1 De socialisatie en kwalificatie van leerlingen dienen mede in het teken te staan van deze samenlevingsopbouw, waarmee een distributief-rechtvaardige2, solidaire (bonum aequm, aequitas)3, democratische samenleving is beoogd.4
Verzorgingsstaat en sociale grondrechten
De overgang van de natiestaat naar de verzorgingsstaat vanaf de jaren zestig gaat geleidelijk, aangezet door opeenvolgende kabinetten. In de jaren die volgen tot het einde van de twintigste eeuw is de verzorgingsstaat uitgebouwd en zijn de burgerrechten en -plichten bereikbaar voor de gehele burgerij.5 De emancipatie tot een volwaardig burger wordt voltooid.6 De in par. 2.1.1 vermelde sociale grondrechten van rechtsbijstand (artikel 18 Gw), werkgelegenheid, arbeidsvoorwaarden en -keuze (artikel 19 Gw), bestaanszekerheid, welvaart, sociale voorzieningen (artikel 20 Gw), bewoonbaarheid van het land, milieubeheer (artikel 21 Gw), volksgezondheid, woongelegenheid, cultuur (artikel 22 Gw) en onderwijsvrijheid (artikel 23 Gw) zijn in 1983 gecodificeerd.7
Van Gunsteren: Burgerschap ambt in de publieke gemeenschap
In de tijd van de voltooiing van de verzorgingsstaat geeft rechtsfilosoof Van Gunsteren in 1992 het begrip burgerschap een nieuwe dimensie: ‘een ambt in de publieke gemeenschap’.8 Burgerschap is ‘een ambt in de republiek, niet identiek met de gewone mens, waaraan competentie-eisen worden gesteld en modificeerbaar naast andere ambten’.9 Neen, de neorepublikein vervult autonoom, oordeelkundig en loyaal de dubbelrol van regeren en geregeerd worden. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) wijst op de opdracht van het onderwijs bij het toegankelijk maken van het bereiken van dit burgerschapsideaal: ‘Het onderwijs is er niet om burgerschapsproblemen op te lossen. Ze dient toegang tot bestaand burgerschap te bieden’.10 In een ten behoeve van het WRR-rapport verschenen achtergrondessay merkt psycholoog Hofstee het bevorderen van wijsheid aan als doel van burgerschapsonderwijs, te bereiken met gammakunde, een vak waardoor leerlingen met behulp van de sociaalpsychologische mechanismen leren om beter met anderen om te gaan.11