Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.8.4
2.2.8.4 Burger in de civil society
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977381:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
R. Steenvoorde, ’Burgerschap van Babylon én Jeruzalem’, in: Van Bijsterveld & Steenvoorde (red.) 2013, p. 265.
Remmerswaal 1975, p. 11-13, 83.
Vgl. F. Willems, ‘Met kinderen in gesprek over ‘het goede’, waar komt het op aan? Burgerschapsvorming, het morele klassengesprek komt nog niet van de grond’, Schoolbestuur juni 2012, 4, p. 24-25 en J. Kuijpers, ’Leren luisteren. Basisschool probeert nieuw vak sociale competentie’, NRC 4 oktober 2003.
Zie: Ten Berge 1997.
Artikel 6:162 lid 1 BW: Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Lid 2: Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigheidsgrond.
Art. 6:162 BW; Van Gunsteren 1992, p. 22 en ‘Regeerder moet zelf voorbeeldburger zijn’, NRC 16 sept 2003.
Ibid., p. 22.
D. Heater, World citizenship, Cosmopolitan thinking and its opponents, New York: St. Martins-press 2002, p. 154-179, met name Competence and Education, Schoolpotentials, p. 163-169 en H. van Gunsteren, ‘A Theory of Citizenship organizing Plurality in Contemporary Democracies’, Colorado: Westview press Boulder 1998, 3. How Citizens are Formed, 7. Education, p. 81-91.
W. Kuiper & P. Boersma, ‘Deugdelijk onderwijs: over opvoeden tot democratisch burgerschap’, CDV 2013 p. 66-73.
Van Gunsteren 1994, p. 20-21.
Vgl. W. de Jong, ‘Burgerschap en Burgerzin; de herleving van een oud idee’ Hofvijver Montesquieu Instituut, 30 januari 2017, Th. Brinkel e.a, ‘Begrensde vaderlandsliefde’, CDV Winter 2017, p. 28-38 en H. Post, ‘Grondwetspatriottisme in een rechtsgemeenschap: de rol van religie en levensovertuiging’, CDV Winter 2017, p. 149.
Vgl. P. Dekker, ‘Andere burgers?’, in: P. Meurs e.a. (red.) 2006, G. Kronjee & M. Lampert ‘Leefstijlen en zingeving’, in: Van de Donk e.a. (red.) 2005, p. 189-192.
Mentality-onderzoek: kerntypologie van burgerschapsstijlen: plichtsgetrouwen, verantwoordelijken, pragmatici en buitenstaanders, Amsterdam: Motivaction 2001; vgl. WRR 2002/2006.
W. Veugelers, Learning and Teaching in Critical-Democratic Citizenship Education, (oratie UvH), Utrecht: Net aan Zet 2019 p. 28-29; vgl. Peschar e.a. 2010, p. 46.
Vgl. C. Elion-Valter, ‘Right tot challenge: uitbesteed projectmanagement of oefening in lokaal burgerschap’, Tocqueville nieuwsbrief, 1 februari 2022.
M. Oudenampsen, ´De mengvorm van het neo-liberalisme´, NRC 19 maart 2019, p. C11.
Tonkens 2008, p. 9-12; vgl. B. van Stokkom, ‘Deliberatie zonder democratie? Ongelijkheid en gezag in interactieve beleidsvorming’, S en D, 30, 3, p. 153-165 en Rituelen van beraadslaging: reflecties over burgerberaad en burgerbestuur, Amsterdam: AUP 2006, NVLM-Nieuwsbrief april 2021, Democratisch Lab, Overtuigen, onderhandelen en zich verplaatsen: democratische deliberatie met leerlingen, middels het spel Demos (over diversiteit, empathie en rechtvaardigheid), RUN, september 2021.
E. Tonkens & M. Hurenkamp, Wat vinden burgers zelf van burgerschap?, K. Peusens,´Evelien Tonkens: Leer leerlingen hun mening te geven en te herzien´, M & P 2019, 01, p. 9 (Tonkens geeft drie visies: communitaristisch, republikeins en liberaal burgerschap).
Ibid., p. 26; vgl. B. van Stokkom, ’Deliberatie zonder democratie? Ongelijkheid en gezag in interactieve beleidsvorming’, S en D 2003, 3, p. 153-165 en T. Akkerman, ‘Democratisering in perspectief; de deliberatieve democratie’, in: Engelen & Sie Dhian Ho (red.) 2004.
B. Oomen, ‘Constitutioneel bewustzijn in Nederland: Van burgerzin, burgerschap en de onzichtbare Grondwet’, RdW 2009/2, p. 63, Universele rechten, lokale gevechten (oratie UvA), Amsterdam: Vossiuspers 2010 en Small places: the homecoming of human rights, (oratie UU),Utrecht 2012.
B. Oomen & H. Lelieveldt, ‘Onbekend maar niet onbemind: Wat weet en vindt de Nederlander van de grondwet?’, NJB 2008, 10, p. 577/78; vgl. Fr. Florin, ‘Grondwet is juist nu relevant’, Trouw, 4 april 2015, H. Post 2017, p. 154 en Chr. Alberdingk Thijm, ‘Onze Grondwet is een doods instrument’, NRC 28 juni 2018, p. 18.
Oomen 2009, p. 72-73.
Ibid., p. 73; vgl. Y. Jansen, ‘Laïcité in het licht van de geschiedenis van de Franse assimilatiepolitiek’, in: Van de Donk e.a. (red.) 2005, p. 275-286 en T. den Boon, ‘De grondwet is van oorsprong een ‘fundamentele wet’, Trouw 27 maart 2014.
Vgl. M.L. Haimé, ‘Uitleiding: de Grondwet in de toekomst’, in: D.P. van den Bosch (red.), 2014, p. 153-156.
Vgl. M. Huygen, ´Interview met G. van den Brink: Nederlanders pik je er zo uit.’ NRC 1 maart 2018, p. 10-11 en Fl. Rusman, ´Vier eeuwen debat. Nederlanders zijn lekker gek, maar wel gewoon´, NRC 2 maart 2018, p. 10.
Ibid., p. 72.
Reflectie op civil society
Na de voltooiing van de verzorgingsstaat breekt de tijd van de reflectie op de civil society aan, waarin burgerschap met de burgerlijke, politieke en sociale rechten wordt uitgeoefend.1 In het debat over burgerschap zijn twee dominante stromingen herkenbaar: burgerschap vanuit een maatschappijvisie met een (neo)republikeinse opvatting, met het individu centraal, versus een communitaristische opvatting, met de groepseigen waarden, normen en gebruiken2 en de gemeenschap als een bindende verzameling van (sub) groepen in saamhorigheid.3 Het neorepublikeins burgerschap legt de nadruk op de individuele zelfredzaamheid en minder op het verbindend democratisch burgerschap. Dat laatste komt binnen de communitaristische opvatting tot uitdrukking in de zelfvormende burgerzin met de fatsoens- en omgangsvormen thuis, op school en in de samenleving.4
Van Gunsteren: burgerzin
Van Gunsteren drukt burgerzin uit als een publiekrechtelijke variant5 van de civielrechtelijke zorgvuldigheid (artikel 6:162 BW)6, als ‘de zorgvuldigheid die in het publieke verkeer betaamt ten aanzien van de instituties van burgerschap en burgerschap van anderen’.7 Hij ziet burgerschap als de basis voor ‘een gelijke politieke zeggenschap bij de totstandkoming van de wetten die door de regels van het kiesrecht, de wetgevingsprocedure en de parlementaire betrokkenheid geborgd [is]’.8 Hiertoe is het onderwijs belast met ‘het toegankelijk maken van burgerschap voor alle burgers’.9 Rechten en plichten zijn niet absoluut.10 Dat een juridisch complex voorwaarde is voor uitoefening van goed burgerschap is onomstreden, maar ‘het is er niet de fundering van’, stelt Van Gunsteren die ‘de institutie […] burgerschap meer dan als optelsom van rechten en plichten ziet’.11 In de twintigste eeuw is burgerschap een hoedanigheid voor het kunnen en willen participeren aan de natievorming en is het in de democratische rechtsstaat verankerd in een burgerhoedanigheid als een vitale identiteitsbron voor het maatschappelijk, sociaal, cultureel en politiek handelen.12
Motivaction: differentieel oordeel over actief burgerschap
De diversiteit aan burgerschapsconcepten is in de laatste decennia vergroot.13 Dat zien we in het onderzoek naar de wording van de burgerschaps(stijlen) in de Mentality-typologiestudie van bureau Motivaction.14 Pedagoog Veugelers leidt als burgerschapsdimensies het aanpassingsgericht, kritisch-democratisch en individualiserend-calculerend burgerschap af uit een enquête onder de ouders van schoolgaande kinderen, docenten en leerlingen, waarin de betrokkenheid en autonomie van burgers vervlochten zijn.15 Over de bevordering van actief burgerschap als de wil en het vermogen te participeren in een gemeenschap en daaraan bij te dragen, wordt geoordeeld16, naargelang de verbinding met de beginselen van de neoliberale samenleving.17 Op een eigentijdse wijze krijgt het burgerschapsconcept van Tonkens vorm in de houding van de verantwoordelijke, fatsoenlijke en deliberatieve burger.18 Dit is de burger die het debat in de samenleving voert en democratisch leven bevordert.19
Tonkens: juridisch-normatieve en symbolische functies van de Grondwet
Anders dan Veugelers pleit Tonkens voor een normatieve democratisering die een erkenning van de deliberatie - het centraal stellen van informatievergaring, discours en debat - impliceert als een overkoepelend kenmerk. Het is een normatieve democratisering die het verband vormt van de deliberatie met goed burgerschap, de professionals en instellingen, kortom met de publieke moraal. Tonkens’ burgerschapsconcept draagt een hybride karakter en omvat formeel burgerschap als rechtspositie en juridisch burgerschap naast het participatief burgerschap en burgerschap als een vitale identiteitsbron.20 Deze concepten corresponderen met de dimensies van de Grondwet als de staatsregeling, met juridisch-procedurele waarborgen naast juridisch-normatieve en symbolisch-inspirerende functies.21 Het belangstelling wekken bij het grote publiek voor de functie en de werking van de Grondwet betekent het vitaliseren van de juridisch-normatieve en symbolische functies.22
Oomen: van kritisch-democratisch naar sociaal burgerschap
Staatsrechtjuriste Oomen wijst op een verschuiving van kritisch-democratisch naar sociaal burgerschap. Die verschuiving ligt in de nadruk op de verwerving van de cognitieve en sociale vaardigheden in de integratietoets, in de etiquettes bij de openbare gelegenheden en in het Handvest Burgerschap, als gericht op het meedoen in de buurt en de wijk.23 Ze duidt dit concept aan met ’assimilationistisch’.24
Leden van een niet-dominante groep mengen zich zo sociaal en cultureel met de dominante groep.
De functies van de Grondwet zijn gerelateerd aan de burgerschapsdimensies. Het juridisch-normatieve kader correspondeert met de dimensie van burgerrechten en -plichten.25 De symbolisch-inspirerende functie relateert aan de Grondwet als het fundament van Nederlanderschap.26 Deze functie appelleert aan het constitutioneel bewustzijn als een perspectief van iedere burger, gemeten in de percentages van de respondenten op stellingen als: ‘Ik vertrouw erop dat de Grondwet mijn rechten als burger beschermt’.27 Oomens burgerschapsconcept draagt de sporen van het formeel en materieel burgerschap en beweegt zich binnen de maatschappelijke, sociale en politieke dimensies.