Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.2.3:2.4.2.3 Artikel 6:162 BW
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.2.3
2.4.2.3 Artikel 6:162 BW
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859092:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De erflater kan er ook voor kiezen de kwestie op grond van een onrechtmatige daadsactie aan de civiele rechter voor te leggen. Artikel 6:162 BW vormt dan het beoordelingskader. Onrechtmatig in de zin van dit artikel is in de eerste plaats het plegen van de misdrijven die in het Wetboek van Strafrecht als zodanig strafbaar zijn gesteld.1 Maakt de lasteraar zich dus schuldig aan artikel 262 of 268 Sr dan kan dat ook via de civiele weg gesanctioneerd worden. Met andere woorden: stelt de rechter vast dat de lasteraar in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht door zich niet te onthouden van handelingen die gekwalificeerd kunnen worden als laster of lasterlijke aanklacht, dan is sprake van het lasterlijk inbrengen van een beschuldiging in de zin van artikel 4:3 lid 1 sub c BW.
Artikel 6:162 BW heeft echter een ruimer bereik als het gaat om onrechtmatige beschuldigingen. Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is in beginsel gegeven indien de krenkende mededeling onjuist is en dader dit wist of hem verweten kan worden dat hij het niet wist.2 Voor de toepassing van artikel 4:3 lid 1 sub c BW is het echter niet voldoende dat de erflater door de beschuldiging weliswaar onrechtmatig in zijn eer of goede naam is aangetast, maar die beschuldiging niet het strafbare feit laster of lasterlijke aanklacht oplevert. Artikel 4:3 lid 1 sub c BW vordert immers dat de beschuldiging lasterlijk moet zijn.