De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.5.4:5.8.5.4 Jurisprudentie
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.5.4
5.8.5.4 Jurisprudentie
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949681:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS (vz.) 13 juni 1986, ECLI:NL:RVS:1986:AM963 en ARRvS 8 september 1992, ECLI:NL:RVS:1992:AN3466, m.nt. A.F.M. Brenninkmeijer.
ARRvS 25 september 1978, ECLI:NL:RVS:1978:AM4487.
ARRvS 3 januari 1979, ECLI:NL:RVS:1979:AM4643.
ARRvS 9 augustus 1982, ECLI:NL:RVS:1982:AM6609, m.nt. J.H. van der Veen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder de Wet AROB zijn slechts vijf uitspraken gepubliceerd over de vraag of tegen een bepaalde beschikking beroep openstaat bij de bestuursrechter omdat het een beslissing inzake het kennen of kunnen van iemand zou betreffen. Geen van deze uitspraken had betrekking op het onderwijs. De onderwijswetten waren immers uitgezonderd van de werkingssfeer van de Wet AROB. Gezien de beperkte hoeveelheid jurisprudentie worden de vijf zaken hieronder kort behandeld.
De eerste en tweede zaak betroffen een onderzoek om aan te tonen dat degene met een rijbewijs nog de kennis of bedrevenheid dan wel de lichamelijke of geestelijke gesteldheid had voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.1 De Afdeling oordeelde dat er in dit geval sprake was van een beoordeling van het kunnen van degene met het rijbewijs op grond van een geneeskundig rapport omtrent zijn geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het beroep werd daarom in beide gevallen niet ontvankelijk verklaard.
De derde zaak betrof een besluit tot het (niet) verstrekken van een blijvende ontheffing voor het geven van rijlessen, ook dit valt volgens de Afdeling onder een besluit inzake het kennen of kunnen.2 In casu werd de rijinstructeur door een commissie van deskundigen beoordeeld. Zijn rijvaardigheid bleek voldoende te zijn, hij zakte echter voor zowel de theoretische als de praktische proefles die hij moest geven. Dit was voor de minister reden om geen blijvende ontheffing te verlenen, waardoor de rijinstructeur niet langer rijles mocht geven. Het gevolg hiervan zou zijn dat de rijinstructeur werkloos zou raken omdat hij geen rijles meer mocht geven. De Afdeling oordeelde desalniettemin dat de beslissing over de ontheffing een beslissing was inzake het kennen of kunnen van de rijinstructeur, waartegen geen beroep openstaat bij de bestuursrechter. Het ingestelde beroep van de rijinstructeur werd daarom niet ontvankelijk verklaard.
De vierde zaak betrof een ambtenaar die tijdelijk was aangesteld bij een gemeente om door middel van een praktijkobservatie, een soort proeftijd, vast te stellen of hij geschikt was voor de betreffende functie.3 De praktijkobservatie werd beëindigd vanwege ongeoorloofd verzuim van de ambtenaar. De Afdeling stelt dat de beslissing om de praktijkobservatie te beëindigen niet op één lijn te stellen is met de beslissing om de ambtenaar niet in dienst te nemen. De beslissing over de praktijkobservatie hield, volgens de Afdeling, een beslissing inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van iemand, die te dier zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst. Op grond hiervan had het bezwaarschrift van de ambtenaar niet ontvankelijk verklaard moeten worden, de Afdeling vernietigt daarom het besluit op bezwaar.
In de vijfde zaak wordt de meest vergaande interpretatie gegeven aan de beoordeling van het ‘kunnen’ van iemand, in de zin van artikel 5, onder l, van de Wet AROB. De zaak betrof een advies over de vraag of de betrokken bejaarde het vermogen bezat om een zelfstandige woon- en leefwijze in voldoende mate te handhaven.4 Indien hiervan geen sprake zou zijn, kon de bejaarde opgenomen worden in een bejaardenoord. De Afdeling stelt dat het advies in overwegende mate een beoordeling inhoudt van vormen van het ‘kunnen’ van de bejaarde en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. In deze uitspraak geeft de Afdeling een extensieve uitleg aan de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen. Deze interpretatie is problematisch omdat hierdoor geen rechtsbescherming openstaat tegen de beschikking over het opnemen van de bejaarde in het bejaardenoord.