Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.4.2.3
11.4.2.3 Invloed van het EU-recht
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940376:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 onder ‘Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel (Sopropé, Kamino en Datema)’.
Zie paragraaf 7.3.6.2.2 onder ‘Betrokkenheid van de overheid bij de (on)rechtmatige verkrijging’.
Vgl. (in het kader van verjaring) paragraaf 9.4.15.
HvJ EU 17 januari 2019, nr. C-310/16, V-N 2019/7.15. Hoewel het in dit arrest ging om een strafrechtelijke sanctie (en om strafrechtelijke onrechtmatigheid), meen ik dat de rechtsregels breder toepasbaar zijn. Het HvJ EU overwoog in r.o. 27 namelijk dat lidstaten vrij zijn in de keuze van hun sancties (bestuursrechtelijk of strafrechtelijk of een combinatie van beide). De rechtsnormen die bij die keuze horen, kunnen steeds aan het EU-recht worden getoetst.
HvJ EU 17 januari 2019, nr. C-310/16, V-N 2019/7.15, r.o. 33-38.
Als het EU-recht van toepassing is,1 kan daarvan een aanvullende werking uitgaan ten aanzien van de toelaatbaarheid van bewijsmiddelen. Het zou namelijk onaanvaardbaar zijn wanneer bij de verkrijging en het gebruik van bewijsmiddelen de door het Unierecht gewaarborgde rechten worden geschonden. Daaruit volgt dat de nationale rechter dergelijke bewijsmiddelen moet uitsluiten als het gebruik daarvan zou leiden tot een schending van het Unierecht, ook als de vergaring en het gebruik volgens de nationale wetgeving rechtmatig is.2
Het EU-recht kan evenzeer een beperkende werking hebben op de nationale regels over (on)rechtmatigheid, evenals dat bij verjaringstermijnen het geval is.3 De verplichtingen uit het EU-recht kunnen immers meebrengen dat bepaalde nationaalrechtelijke voorschriften (zoals verjaringstermijnen) buiten toepassing moeten worden gelaten. Toegepast op de (on)rechtmatigheid zou dat kunnen betekenen dat het gebruik van bewijsmateriaal dat vanwege de onrechtmatige verkrijging naar nationaal recht zou moeten worden uitgesloten, toch moet worden toegestaan. Als het gaat om bijvoorbeeld ernstige BTW-fraude moeten de EU-lidstaten immers doeltreffende en afschrikwekkende sancties waarborgen, en het buiten beschouwing laten van onrechtmatig verkregen bewijs kan betekenen dat die BTW-fraude onbestraft blijft, zeker als dat bewijs doorslaggevend is. Het HvJ EU heeft in dit verband geoordeeld dat het EU-recht zich er op zichzelf niet tegen verzet dat de nationale rechter een nationale regeling toepast op grond waarvan bewijsmiddelen worden uitgesloten die niet volgens de regels zijn vergaard, ook al kan het bewijs alleen met die bewijsmiddelen worden geleverd.4 Daarbij woog het HvJ EU echter nadrukkelijk mee dat de nationale regels in kwestie in overeenstemming waren met de grondrechten zoals die worden gegarandeerd door het Handvest van de Europese Unie en de algemene Unierechtelijke rechtsbeginselen.5 Ik leid daaruit af, dat het denkbaar is dat wanneer het nationale recht te gemakkelijk bewijs als onrechtmatig zou aanmerken, het EU-recht ervoor kan zorgen dat dergelijk bewijs toch moet worden toegelaten.