Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.9.2
3.9.2 ABN Amro
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196951:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, ARO 2007/79 (ABN Amro).
Met de overweging dat de rechten van de aandeelhouders om in vrijheid te beslissen over verkoop van hun aandelen in ABN Amro Holding slechts door die opschorting konden worden hersteld (r.o. 3.25). In de overwegingen is ook sprake van consultatie, zie ook nt. 96 bij 8.5.4.
OK 3 mei 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA4395, ARO 2007/79 (ABN Amro), r.o. 3.26 en 3.27.
HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, ARO 2007/120 (ABN Amro). De Hoge Raad deelde niet het voorshandse oordeel van de Ondernemingskamer, dat de verkoop van LaSalle twijfel opriep omdat art. 2:107a BW bij de verkoop niet in acht was genomen en de besluitvorming daarom gebrekkig was. Naar het oordeel van de Hoge Raad valt de verkoop niet onder de werkingssfeer van die bepaling. Met dat oordeel kwam de grond aan elke onmiddellijke voorziening ontvallen. In r.o. 4.10 veronderstelt de Hoge Raad – voor de gedachtevorming – een gebrek in de besluitvorming van het bestuur (“Zelfs als zou moeten worden aangenomen”). Dat zou dan de misstand zijn. Als ik het goed zie slaat de Hoge Raad de vraag, of die misstand dringend een ingreep van de rechter vereist, over.
Zie voor de positie van Barclays 1.1, nr. 2.
Daarbij speelt een rol dat de rechten van de betrokken externe partijen door art. 2:107a lid 2 BW beschermd zouden worden, als er wel een verplichting had bestaan het besluit voor te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders. Zie ook Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood, 2017/118. In 8.4.2 komt dit onderwerp terug.
[114] De zaak ABN Amro neemt in dit onderzoek een bijzondere plaats in.1 Voor de casus wordt hier verwezen naar de weergave in 1.1. De Ondernemingskamer verbood bij wijze van onmiddellijke voorziening de uitvoering van de verkoop door ABN Amro Holding van (kleindochtervennootschap) LaSalle aan Bank of America, zonder voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders van ABN Amro.2 Bij die beslissing werd nagegaan of belangen van Bank of America en andere belangen, zoals die van werknemers, zich tegen die voorziening verzetten.3
De beschikking van de Hoge Raad in deze zaak houdt overwegingen in die van belang zijn voor de belangenafweging.4 Het komt neer op het volgende. Het gebrek in de besluitvorming, waarop de Ondernemingskamer haar beslissing baseerde, heeft geen externe werking.5 Een eventueel verzuim (het niet-voorleggen van het voorgenomen besluit aan de algemene vergadering van aandeelhouders) heeft geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de transactie. De positie van de koper wordt niet door het gebrek aangetast. De getroffen onmiddellijke voorziening zou wel externe werking hebben. Voor de voorziening zou bij een billijke afweging van belangen geen ruimte zijn, want ze is niet gerechtvaardigd tegenover de koper en de andere externe partij, Barclays.6
De Hoge Raad maakt hier het punt dat de door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorziening, vanwege haar aard – ze heeft externe werking waardoor de nakoming van de koopovereenkomst wordt belemmerd – niet gerechtvaardigd is tegenover de partijen Bank of America en Barclays.7 Dat geeft in een afweging van belangen de doorslag, zodat de keuze in elk geval niet op de gevraagde voorzieningen mag vallen. De overweging van de Hoge Raad heeft hier, naar het zich laat aanzien, betrekking op de vraag of deze concrete maatregel getroffen mocht worden. Ik bespeur hier een aanwijzing dat de afweging gemaakt moet worden bij de ‘welke-vraag’.