Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.3.1.2
2.3.1.2 Relatie met het grondfeit
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715492:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Nieboer 1991, p. 113. Dit in contrast tot de liberale benadering, waarin de vrijheden van de burger ten opzichte van de samenleving centraal staan.
De Hullu 2021, p. 151; Nieboer 1991, p. 113-143. Vgl. Simester & Von Hirsch 2011, p. 64 en 68. Er bestaat op dat punt ook een sterke band met de Negative Handlungslehre, die een gedraging ziet als een vermijdbare schending van een plicht om niet te handelen.
Ook de Hoge Raad doet dat bijvoorbeeld niet in een zaak over een poging tot het voorhanden hebben van een vuurwapen (HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769).
Zie bijvoorbeeld: HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769. Vgl. Concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2015:1769, bij HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1769, par. 9-10; Reijntjes 1977, p. 426.
De Hullu 2021, p. 380 en 388; Vetzo 2016, p. 844; Strijards 1995, p. 10 en 25-27; Simons 1917, p. 140.
Concl. A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2009:BJ3565, bij HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3565, par. 10.
Kelk/De Jong 2019, p. 416-417. Vetzo wijst op het voorbeeld van het exporteren van een goed naar het buitenland, dat volgens de Hoge Raad niet alleen op het moment duidt waarop de grens wordt overgestoken, maar ook het naar de grens toebrengen van het goed omvat (Vetzo 2016, p. 844). Het vervoeren van een goed naar de grens met de bedoeling het goed de grens over te brengen, is dan een begin van uitvoering van de export. Knigge meent daarentegen dat, juist nu het delict reeds is voltooid als er sprake is van een begin van uitvoering van de handeling, de poging moet zien op gedragingen die voorafgaan aan de handeling uit de delictsomschrijving (Concl. A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2009:BJ3565, bij HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3565, par. 10). Zijn uitgangspunt daarbij is dat de Hoge Raad heeft vastgesteld dat poging tot formeel omschreven misdrijven mogelijk is.
Vgl. Vetzo 2016, p. 846.
Concl. A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2009:BJ3565, bij HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3565, par. 11, 13 en 20. Omdat de Hoge Raad die lijn echter niet lijkt te volgen, kiest Knigge ervoor om dan ten minste te vereisen dat de dader, op het moment waarop hij wordt onderbroken, feitelijk in staat moet zijn geweest om de omschreven handeling direct te verrichten. Voor het kweken van hennep zou dat betekenen dat de dader ten minste de beschikking moet hebben over kweekmateriaal en dat het enkele voorhanden hebben van een ingerichte hennepkwekerij – zonder dergelijk kweekmateriaal – niet volstaat. Zie: Concl. A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2009:BJ3565, bij HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3565, par. 20-21. In vergelijkbare zin stelt Vetzo voor om de feitelijke mogelijkheid om de delictsgedraging te verrichten als centraal criterium te gebruiken bij poging tot een formeel delict (Vetzo 2016, p. 855). Die benadering neigt naar een voltooide poging-achtige constructie.
Uit het voorgaande volgt impliciet al dat, anders dan in de liberale benadering, het grondfeit vanuit communitaristisch oogpunt formeel moet worden begrepen als datgene wat de wetgever strafbaar heeft gesteld. Centraal staat immers de plicht van de burger om de door de samenleving aangeduide gedragingen na te laten.1 Dat uitgangspunt is nauw verwant aan het concept van zorgplichten, die door sommige auteurs ook wel als de basis voor aansprakelijkheid in de voorfase worden gezien.2 Dat een grondfeit materieel gezien een voorfasedelict kan zijn, wordt daarbij buiten beschouwing gelaten.3 Ook de rechtspraak volgt deze benadering. De Hoge Raad houdt bijvoorbeeld poging tot het voorhanden hebben van een vuurwapen voor mogelijk, zonder er enige blijk van te geven dat het uitmaakt dat het hier materieel gezien om poging tot voorbereiding gaat.4
Een gevolg (en in zekere zin voordeel) van deze benadering is dat poging tot een formeel delict niet principieel verschilt van poging tot een materieel delict. In de communitaristische theorie kunnen zowel formeel als materieel omschreven delicten voltooide strafbare feiten zijn; de keuze voor de redactie van de delictsomschrijving is aan de democratische wetgever. De enige, vooral semantische, vraag is dan wanneer bij formeel omschreven delicten van een ‘begin van uitvoering’ kan worden gesproken. Veel auteurs menen namelijk dat bij formeel omschreven delicten met name de pogingsfase niet goed denkbaar is, omdat de dader het delict al heeft voltooid op het moment dat hij begint met de omschreven gedraging.5 In de woorden van Knigge: “Wie begonnen is te vervoeren, vervoert en wie begonnen is met telen, teelt.”6 Alleen voor zover de gedraging geen momentopname behelst, maar ook het proces impliceert dat naar dat moment leidt, zou sprake kunnen zijn van een pogingsfase.7
Als het formeel omschreven grondfeit per definitie een voltooid delict is, moet de pogingsgedraging daaraan voorafgaan. Dat leidt niet alleen snel tot een meer subjectieve pogingsleer bij formeel omschreven delicten, maar heeft ook gevolgen voor de vraag in welk deel van de voorfase een delict zich eigenlijk bevindt.8 Vanuit communitaristisch perspectief is doorgaans veel minder snel sprake van een voorfasedelict dan vanuit liberaal perspectief. Knigge wil bijvoorbeeld de reikwijdte van de poging beperken tot het moment waarop de dader aanstalten maakt om te beginnen met de verboden gedraging en lijkt te betogen dat het inrichten van een ruimte om deze gereed te maken voor hennepteelt als een begin van uitvoering van hennepteelt kan worden gezien, terwijl dit materieel gezien eerder de voorbereiding van hennepteelt lijkt.9