Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.5.2
3.5.2 Bedrijfswaarde als representant van het voorzichtigheidsbeginsel dan wel het realiteitsbeginsel
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344289:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
A.H.M. Daniëls, De waardering van bedrijfsmiddelen op bedrijfswaarde, FED 1986/1225.
Uitgezonderd HR 14 juni 1978, BNB 1979/181 met noot van G. Slot inzake de waardering van een deelneming.
Zie ook H.J.W. Klein Wassink, t.a.p., blz. 998.
H.J. Meijer, Verliesneming bij onderrentabiliteit, MBB nr. 1, januari 1986, blz. 6-10.
R. Russo, aantekening bij HR 5 april 1989, nr. 25 186, FED 1989/ 365.
D. Brn11/J.W. Zwemmer /R.P.C. Cornelisse, Goed koopmansgebruik, FED-brochure, vijfde druk, 1994, blz. 35-36.
Anders gezegd: verliezen dienen tot uitdrukking te worden gebracht in het jaar waarop ze betrekking hebben, ofwel het jaar waarin een verlies daadwerkelijk is geleden.
T.a.p., blz. 47.
J.Ch. Caanen, Enige beschouwingen over goed koopmansgebruik, TFO nr. 22, december 1995, blz. 223.
Dat het blijkbaar geen eenvoudige zaak is om een eenduidig verband te leggen tussen de begrippen 'bedrijfswaarde' en 'goed koopmansgebruik' wordt duidelijk bij bestudering van de literatuur. De meningen over dit verband lopen namelijk nogal uiteen. Zo is Daniëls1 van mening dat ten behoeve van de fiscale jaarwinstbepaling bij de waardering van bedrijfsmiddelen vanwege het voorzichtigheidsbeginsel de kostprijs minus afschrijvingen als bovengrens geldt. De waardering op bedrijfswaarde komt volgens hem in de rege12 alleen aan de orde ingeval deze lager is dan de kostprijs minus afschrijvingen. Hij stelt onder meer dat enerzijds de functie van het waarderen naar bedrijfswaarde is het voorkomen van een geflatterde balans. Anderzijds is de functie het aangeven van de ondergrens waar beneden de waardering niet mag komen3. Daniëls zegt dat het voorzichtigheidsbeginsel ons leert dat de ondernemer reeds verliezen mag nemen wanneer ze zijn veroorzaakt doch nog niet gerealiseerd. Met de lagere bedrijfswaarde zal dan bepaald moeten worden hoe groot het in aanmerking te nemen, niet gerealiseerde, verlies is.
Meijer4 daarentegen is van mening dat afwaardering op (lagere) bedrijfswaarde voortvloeit uit het voorzichtigheidsbeginsel (volgens Meijer ook wel aangeduid als het Niederstwertprinzip). Hij vraagt zich af of het niet veeleer de realiteit is die hierbij voorop moet staan en pas op de tweede plaats de voorzichtigheid.
Neen, zegt Russo5, de grondslag voor een afwaardering op lagere bedrijfswaarde is gelegen in het voorzichtigheidselement van goed koopmansgebruik. Hij verwijst daarbij naar de minimumwaarderingsregel (kostprijs of lagere marktwaarde) bij de waardering van voorraden als uiting van de voorzichtigheid. Zo wordt volgens Russo bereikt dat ongerealiseerde winsten nièt en ongerealiseerde verliezen wèl in aanmerking worden genomen. Het toestaan van waardering op lagere bedrijfswaarde bij bedrijfsmiddelen is volgens hem (zoals dat bij de waardering van voorraden het geval is) op basis van deze minimumwaarderingsregel toegestaan.
Bri111, Zwemmer en Cornelisse6 interpreteren de jurisprudentie van de Hoge Raad in die zin dat afwaardering op lagere bedrijfswaarde een representant is van de realiteitszin. Met name het deelaspect van de realiteitszin — dat de wijze van winstbepaling waarborgen moet bevatten tegen willekeurige winstverschuivingen7 — zou volgens hen in het afwaarderen van een activum op lagere bedrijfswaarde worden belichaamd.
Zij schrijven omtrent de relatie tussen realiteitszin en de voorzichtigheid onder andere het volgende8: 'Het antagonisme tussen voorzichtigheid en realiteitszin komt duidelijk tot uitdrukking bij 's Hogen Raads leer met betrekking tot het Niederstwertprinzip. Bij voorraden laat de voorzichtigheid toe te vergelijken met de prijs op de inkoopmarkt, waarbij dan nog de vraag is of de prijs op de verkoopmarkt geen betere maatstaf zou zijn (...). Bij bedrijfsmiddelen mag men evenwel slechts een waardecorrectie toepassen, indien de bedrijfswaarde beneden kostprijs minus afschrijvingen ligt: de in december gekochte auto zal op de balansdatum 1 januari als marktprijs een tweedehandswaarde hebben, die in geen verhouding staat tot de betekenis van de wagen voor de onderneming. Dit verlies nemen zou wel erg voorzichtig zijn, maar van weinig realiteitszin getuigen en is daarom niet toegestaan.'
Welnu, afwaardering op lagere bedrijfswaarde heeft naar mijn mening niets met het voorzichtigheidsbeginsel te maken. Caanen9 wijst er dan ook terecht op dat het voorzichtigheidsbeginsel uitsluitend gehanteerd dient te worden in het kader van het adagium dat baten pas verantwoord behoeven te worden, als zij gerealiseerd zijn. De bedrijfswaarde moet zuiver bezien worden in de sfeer van de realiteit, dat wil zeggen: Als er geconstateerd wordt dat de bedrijfswaarde niet langer meer beneden de boekwaarde is gedaald, gebiedt het realiteitsbeginsel dat de eerdere afwaardering ongedaan wordt gemaakt. In dat geval is er geen sprake van winstneming maar van het ongedaan maken van een verlies.
Aangezien een lagere bedrijfswaarde een realiteit moet zijn, stelt dit hoge eisen aan de bedrijfswaardebepaling. Er zal dus niet licht(vaardig) en zonder bewijzen ervan uitgegaan kunnen worden dat er sprake is van een lagere bedrijfswaarde. Verder impliceert het realiteitsbeginsel dat bij een vermogensverlies ook voldaan moet worden aan het criterium van de duurzaamheid, dat wil zeggen dat de waardedaling niet incidenteel is maar ook op de langere termijn niet zal worden goedgemaakt.
Toetsing aan het realiteitsbeginsel impliceert uiteindelijk nog meer, namelijk dat afwaardering op lagere bedrijfswaarde verplicht is evenals opwaardering van het actief bij stijging van die zelfde bedrijfswaarde tot maximaal de boekwaarde.