Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.8.3.3
5.8.3.3 Beginsel van effectieve rechtsbescherming
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397289:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor decentrale overheden die louter fungeren als nationaal uitvoeringsorgaan geldt dat zij vooral zullen opkomen tegen besluiten waarin de lidstaat de Europese gelden naar aanleiding van terugvorderingen door de Europese Commissie terugvordert. Nationale (potentiële) ontvangers van Europese subsidies - let wel, hierbij kan het ook gaan om decentrale overheden - zullen niet alleen rechtsbescherming wensen indien het nationaal uitvoeringsorgaan de Europese subsidie terugvordert, maar ook indien sancties worden opgelegd en indien een subsidieaanvraag wordt afgewezen.
Zie hieromtrent HvJEG 19 juni 2003, C-467/01 (Eribrand),Jur. 2003, p. 1-6471, r.o. 61; HvJEG 15 mei 1986, 222/84 (Johnston), Jur. 1986, p. 1651, r.o. 17 en 18; HvJEG 11 januari 2001, C226/99 (Siples), Jur. 2001, p. 277, r.o. 17 en HvJEG 15 oktober 1987, 222/87 (Heylens e.a.), Jur. 1987, p. 4097, r.o. 14 e.v.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.72 en 3.7.3.
HvJEG 3 december 1992, C-97/91 (Borelli), Jur. 1992, p. 1-6316.
Uit het arrest Unibet blijkt dat het ook voldoende kan zijn indien een handeling van een nationaal uitvoeringsorgaan waartegen geen beroep mogelijk is exceptief kan worden getoetst. HvJEG 13 maart 2007, C-432/05 (Unibet), Jur. 2007, p. 1-2271, r.o. 44, AB 2007, 301, m.nt. H. de Waele en R.J.B. Schutgens, r.o. 40 en 41. Zie hieromtrent ook Jans e.a. 2011, p. 281.
Indien exceptieve toetsing van een handeling van een nationaal uitvoeringsorgaan niet mogelijk is, volgt uit HvJEG 13 maart 2007, C-432/05 (Unibet), Jur. 2007, p. 1-2271, r.o. 44, AB 2007, 301, m.nt. H. de Waele en R.J.B. Schutgens dat de rechtmatigheid van de handeling aan de orde moet kunnen komen in een schadevergoedingsprocedure bij de nationale rechter.
Zie bijvoorbeeld HvJEU 29 juni 2010, C-550/09 (E en F), Jur. 2010, p. 1-6213, r.o. 48; HvJEG 2juli 2009, C-343/07 (Bavaria en Bavaria Italia), Jur. 2009, p. 1-5491, r.o. 40; HvJEG 8 maart 2007, C-441/05 (Roquette Frères II), Jur. 2007, p. 1-1993, AB 2007, 137, m.nt. R. Ortlep en M.J.M. Verhoeven, r.o. 41, 47 en 48; HvJEG 9 maart 1994, C-188/92 (TWD Textilwerke Deggendorf), Jur. 1994, p. 1-833, r.o. 24.
Zie hieromtrent uitgebreid hoofdstuk 3, paragraaf 3.7.3.
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.7.3.
HvJEG 22 oktober 1987, 314/85 (Foto-Frost), Jur. 1987, p. 4199, r.o. 14 en 15. Zie over dit arrest ook Lauwaars 2010B; Edward 2010; Craig 2010; Sarmiento 2010 en Stone Sweet 2010.
De Nederlandse uitspraak Eelde II van de ABRvS biedt hiervan een voorbeeld. ABRvS 15 februari 2012, LJN BV5092, Men R 2012, 109, m.nt. H.H.B. Vedder (Eelde II), r.o. 2.10.4.
HvJEG 6 april 2006, C-274/04 (ED&F Man Sugar), Jur. 2006, p. 1-3269, AB 2006, 204, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 19.
Zie artikel 15 van de Verordening nr. 1082/2006.
Het gaat immers om Europese subsidies die op indirect gecentraliseerde wijze worden verstrekt. In de Gids voor de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren (3.8.4.8.) is neergelegd dat de nationale ontvanger van de Europese subsidie het besluit van het nationaal agentschap waarin de definitieve bijdrage wordt vastgesteld 30 dagen de tijd heeft dit besluit in twijfel te trekken en grieven te uiten.
In artikel 14 van het modelcontract dat door de Europese Commissie ter beschikking is gesteld is bepaald dat geschillen tussen de bevoegde nationale autoriteit en de contractant of vorderingen van de ene partij tegen de andere, die verband houden met het contract en die niet in der minne kunnen worden geschikt, worden voorgelegd aan de rechterlijke instanties van het land van de bevoegde autoriteit.
Zie omtrent deze verordening Kapteyn & VerLoren van Themaat 2008, p. 412.
Zie artikel 16, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 501/2008.
Op grond van het in hoofdstuk 3 besproken beginsel van effectieve rechtsbescherming moet het voor de eindontvanger van de Europese subsidie mogelijk zijn om op te komen tegen besluiten van het nationale uitvoeringsorgaan in het kader van de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving. Ook voor decentrale overheden die als nationaal uitvoeringsorgaan fungeren, dient het op grond van het beginsel van effectieve rechtsbescherming mogelijk te zijn om op te komen tegen verhaalsbesluiten door de centrale overheid.1 Ten slotte dienen concurrenten van eindontvangers op grond van het beginsel van effectieve rechtsbescherming op te kunnen komen tegen besluiten tot subsidieverstrekking van nationale uitvoeringsorganen, indien zij van mening zijn dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun.
Omdat het in de voormelde gevallen zal gaan om handelingen van de nationale autoriteiten, dient daartegen rechtsbescherming open te staan bij de nationale rechter.2 In beginsel geldt wat betreft het nationale procesrecht het beginsel van procedurele autonomie. Dit beginsel wordt begrensd door de beginselen van gelijkwaardigheid, effectiviteit en effectieve rechtsbescherming. In hoofdstuk 3 zijn deze beginselen in algemene zin besproken.3 In deze paragraaf wordt alleen ingegaan op de eisen die voortvloeien uit het beginsel van effectieve rechtsbescherming specifiek in relatie tot de verstrekking van Europese subsidies.
Het beginsel van effectieve rechtsbescherming stelt eisen aan het nationaal procesrecht wat betreft de toegang tot de rechter. Op grond van het beginsel van effectieve rechtsbescherming heeft het Hof van Justitie in het arrest Borelli bijvoorbeeld uitgemaakt dat inzake een advies van een nationaal uitvoeringsorgaan aan de Europese Commissie over de subsidieaanvraag van Borelli. op nationaal niveau rechtsbescherming moest openstaan, ook als het nationaal procesrecht daarin niet voorzag.4 Nu de Europese Commissie op de subsidieaanvraag besliste, was het niet mogelijk om het advies van de lidstaat exceptief te toetsen in een nationale procedure.5 Dit betekent dat tegen het advies zelf beroep open moet staan bij de nationale rechter dan wel de rechtmatigheid aan de orde moet kunnen komen in het kader van een procedure tot schadevergoeding bij de nationale rechter.6 Het Europese recht staat derhalve er niet aan in de weg dat de rechtmatigheid van het advies op grond van de nationale regels inzake rechtsmachtverdeling, slechts aan de orde kan komen bij de burgerlijke rechter.
Op grond van het beginsel van effectieve rechtsbescherming dient het voor eindontvangers van Europese subsidies en decentrale overheden voorts mogelijk te zijn om bij de nationale rechter de geldigheid van Europese subsidieverordeningen en —besluiten aan te vechten die ten grondslag liggen aan tot hen gerichte besluiten van nationale uitvoeringsorganen. Voorwaarde is wel dat zij zonder twijfel niet de mogelijkheid moeten hebben gehad om de geldigheid bij het Hof van Justitie aan te kaarten.7 Nu echter in de vorige paragraaf is geconcludeerd dat eindontvangers van Europese subsidies en decentrale overheden niet rechtstreeks bij het Hof van Justitie kunnen opkomen tegen Europese verordeningen en besluiten gericht tot de lidstaat, staat vast dat de rechtmatigheid daarvan aan de orde moet kunnen komen bij de nationale rechter.8 Het beginsel van effectieve rechtsbescherming vereist immers dat een volledig stelsel van rechtsbescherming bestaat.9 Voor zover de nationale rechter twijfelt aan de geldigheid van een Europese subsidieverordening dan wel —besluit, dient een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie.10 De nationale rechter is namelijk niet bevoegd om Europese verordeningen en besluiten zelf ongeldig te verklaren. De nationale rechter mag wel tot de slotsom komen dat geen aanleiding bestaat om aan de geldigheid van een Europese handeling te twijfelen.11
Het Hof van Justitie stelt verder de eis dat de nationale rechtsgang inhoudelijk zo moet zijn ingericht dat de aan het Europese recht ontleende rechten daadwerkelijk geëffectueerd kunnen worden. Zo heeft het Hof van Justitie in het arrest ED&F Man Sugar bepaald dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties op grond van het wettigheids- en rechtszekerheidsbeginsel in het kader van een beroepsprocedure tegen een sanctiebeschikking moeten nagaan of aan de voorwaarden is voldaan om deze beschikking op te leggen, ook als een eerdere ten aanzien van dezelfde feiten opgelegde terugvorderingsbeschikking definitief is geworden.12
De Europese subsidieregelgeving zelf stelt slechts bij hoge uitzondering eisen aan de rechtsbescherming die openstaat tegen besluiten van nationale uitvoeringsorganen. Voor zover eisen worden gesteld zijn zij vooral te vinden in Europese subsidieregelgeving waar onduidelijkheden zouden kunnen bestaan over de vraag op welk niveau rechtsbescherming openstaat. Dit geldt bijvoorbeeld voor de rechtsbescherming tegen handelingen van EGTS,13 tegen handelingen van de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie14 en tegen modelcontracten in het kader van de Europese subsidieregeling inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties.15 In de Verordening nr. 1469/95, de zogenoemde zwarte-lijstverordening, is voor de lidstaten de verplichting neergelegd om onbetrouwbare marktdeelnemers voor een periode uit te sluiten van het ontvangen van landbouwsubsidies.16 Omdat het hier om een grote inbreuk gaat op de rechten van marktdeelnemers, voorziet de verordening in artikel 4 erin dat met inachtneming van de nationale wetgeving de betrokken marktdeelnemer vooraf moet worden gehoord en dat hij het recht moet hebben om hoger beroep in te stellen.
In sommige onduidelijk gevallen bestaat echter geen Europese regelgeving voor de rechtsbescherming. Dit geldt bijvoorbeeld voor EFRo-projecten in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (INTERKEG) die door verschillende lidstaten worden uitgevoerd. Verder bestaan onduidelijkheden met betrekking tot de Europese subsidieregeling inzake voorlichtingsen afzetbevorderingsacties. In het kader van deze subsidieregeling neemt de Europese Commissie — na selectie door de lidstaat — een besluit over de bij haar ingediende OP’s, maar wordt elke indienende organisatie door de lidstaat ingelicht over het aan haar aanvraag gegeven gevolg.17 De Commissieverordening nr. 501/2008 maakt niet duidelijk of op Europees dan wel nationaal niveau rechtsbescherming openstaat.