Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/5.2.2.3
5.2.2.3 Reproductie
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Wessel & Wolters 2010, p. 454-455.
Gray 2002, p. 350-351.
Rassin 2005, p. 41.
Wessel & Wolters 2010, p. 454-455.
Horselenberg e.a. 2010, p. 488.
Wolters 2002, p. 399.
Wolters 1991, p. 159-160.
Wessel & Wolters 2010, p. 459.
Odinot & Wolters 2006, p. 974.
Horselenberg e.a. 2010, p. 491.
Rassin & Candel 2010, p. 517 e.v.
Men spreekt in dit verband ook wel van crashing memories naar analogie met eerder onderzoek naar het neerstorten van het vliegtuig in de Bijlmer, waarin mensen werd gevraagd naar niet-bestaande beelden van het neerstortende vliegtuig bij de Bijlmerramp. 50% van de ondervraagden antwoordde op een suggestieve vraag van de onderzoekers dat zij amateurbeelden van de crash hadden gezien. Crombag, Wagenaar & Van Koppen 1996, p. 95.
Smeets e.a. 2006, p. 779-789.
Van Koppen & Wagenaar 2010, p. 271.
Van Koppen & Wagenaar 2010, p. 284.
Informatie die in het geheugen is opgeslagen, moet ook weer worden teruggehaald. In het langetermijngeheugen wordt heel veel informatie opgeslagen. De uitdaging is om precies dat stukje informatie terug te halen waarnaar we op zoek zijn. Het geheugen organiseert informatie op zodanige wijze dat deze ook weer kan worden teruggevonden. Opgeslagen kennis kan met behulp van zogenaamde ophaalaanwijzingen of retrieval cues worden geactiveerd. Een ophaalaanwijzing kan bestaan uit een woord of een plaatje, maar bijvoorbeeld ook uit een geur of een bepaalde melodie. Allerlei soorten zintuiglijke prikkels kunnen functioneren als ophaalaanwijzing, waarmee informatie naar boven komt. Een geheugenindruk die is teruggehaald, wordt een herinnering genoemd. Om een succesvolle poging te doen om iets te herinneren, dient de ophaalaanwijzing overeen te komen met de informatie die in het geheugenspoor is opgeslagen.1 Niet alleen kenmerken van het waargenomene kunnen als ophaalaanwijzing dienen, maar ook concepten die gedurende de inprenting prominent aanwezig waren in het hoofd van de waarnemer en aspecten gerelateerd aan de context waarin is waargenomen.2 In dit laatste verband kan worden gedacht aan een jeugdherinnering die wordt opgeroepen door een bepaalde geur of door een bezoek aan een oude woning. Bij het opslaan van informatie legt het brein onbewust verbanden met de omgevingsstimuli, die vervolgens weer kunnen fungeren als ophaalaanwijzing.3
Om het geheugen van een getuige te activeren dienen de juiste ophaalaanwijzingen te worden aangeboden. Indien de ophaalaanwijzing niet tot het gewenste resultaat leidt, kan men proberen om het geheugen met een andere ophaalaanwijzing te activeren. Hoe omvangrijker het geheugenspoor, hoe meer ophaalaanwijzingen beschikbaar zijn en hoe groter de kans dat de opgeslagen informatie succesvol wordt teruggehaald.4 Lukt het helemaal niet meer om het geheugenspoor te vinden, dan wordt gesproken van ‘vergeten’. Opgeslagen informatie hoeft niet in één keer beschikbaar te worden. Bij het trachten te herinneren van meer complexe gebeurtenissen kan de ene herinnering weer de ophaalaanwijzing vormen voor een volgende.
Herinneringen bestaan veelal uit onvolledige fragmenten, aan de hand waarvan een reconstructie wordt gemaakt van de oorspronkelijke gebeurtenis. Geheugenexperts spreken in dit verband wel van een reconstructief geheugen.5 Bij de reconstructie van zintuiglijke indrukken tot een geheel wordt gebruikgemaakt van bestaande kennisschema’s en logische interventies. Een kennisschema is ‘een algemeen kennisraamwerk voor alle situaties die volgens een standaardpatroon verlopen’.6 Het complementeren van herinneringen door het aanvullen van hiaten of ophelderen van onduidelijkheden met behulp van bestaande kennis en logische gevolgtrekkingen, maakt het proces gevoelig voor fouten en invloeden van buitenaf.7 In de meeste gevallen zullen de gereconstrueerde details correct zijn, temeer daar details die afwijken van het gebruikelijke patroon relatief meer aandacht krijgen en beter herinnerd worden, maar dit is niet altijd het geval.8
De processen van productie en retentie hangen sterk met elkaar samen in dat opzicht dat met elke ophaalpoging het geheugen een (kleine) verandering ondergaat. Het actief zoeken naar opgeslagen informatie en het activeren van het geheugen op dat punt, zorgt ervoor dat het geheugenspoor wordt versterkt en dat de herinnering wordt geconsolideerd. Het ophalen van informatie maakt het waarschijnlijker dat deze ook in een later stadium nog wordt herinnerd en kan worden gereproduceerd.9 Echter, bij de reproductie kunnen fouten worden gemaakt en informatie aan het geheugen worden toegevoegd die aanvankelijk niet was opgeslagen. Deze informatie kan bij volgende terughaalpogingen weer worden gereproduceerd. Het ophalen van herinneringen werkt dus twee kanten op.
In de context van het verhoor is van groot belang dat bij de reproductie van herinneringen tijdens een verhoor zorgvuldig te werk wordt gegaan. Immers, ook al is de waarneming goed opgeslagen en bewaard gebleven, op het moment van ondervragen kunnen zich nog allerlei vervormingsprocessen voordoen. Bij een verhoor fungeert de gestelde vraag als ophaalaanwijzing voor het reproduceren van informatie. De bedoeling is dat met de informatie die in de vraag ligt besloten, andere informatie wordt opgeroepen die daarmee is verbonden. Hoe meer informatie in de vraag ligt besloten hoe makkelijker de getuige een herinnering kan reconstrueren.10 Het probleem is dat informatie aangedragen door de verhoorder vermengd kan raken met de herinnering aan de eigenlijke gebeurtenis. Door de wijze van bevragen kunnen geheugenfouten en pseudoherinneringen worden uitgelokt. Suggestie speelt hierbij een belangrijke rol.11 Een voorbeeld van beïnvloeding door de wijze van bevragen is te vinden in onderzoek van Smeets en collega’s waarin 120 proefpersonen werden ondervraagd over niet-bestaand beeldmateriaal van de moord op Pim Fortuyn. Afhankelijk van de wijze van vraagstelling varieerde het aantal deelnemers dat beweerde de beelden te hebben gezien van 63% tot 27%. De ambigue vraagstelling leverde 63% vals positieve antwoorden op, de neutrale vraagstelling 27%. Een verklaring voor het feit dat ook de neutrale vraagstelling een groot aantal bevestigende antwoorden opleverde, wordt mede daarin gezocht dat met het feit dat naar beeldopnamen wordt gevraagd, wordt gesuggereerd dat dergelijk materiaal bestaat. Een deel van de deelnemers (21%) wist zelfs specifieke details uit het niet-bestaande beeldmateriaal te geven. Dit onderzoek bevestigt de resultaten uit voorgaand onderzoek dat geheugenfouten12 mede afhankelijk zijn van de wijze waarop mensen worden ondervraagd en dat sommige getuigen details verschaffen die ze onmogelijk kunnen hebben waargenomen.13 Op het reproduceren van herinneringen tijdens het verhoor wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan.
In het voorgaande is gesproken over herinneringen aan concrete gebeurtenissen. Voor het strafproces zijn ook herinneringen aan het uiterlijk van specifieke personen of objecten van groot belang. Het proces van herkennen verloopt langs dezelfde lijnen als hiervoor beschreven: waarneming en inprenting van het uiterlijk van de persoon of het object, de opslag en reproductie in de vorm van een herkenning.14 In feite is een herkenning een specifiek soort herinnering. Naar herkenningen door getuigen is veel empirisch onderzoek verricht dat heeft geresulteerd in praktische aanwijzingen voor de praktijk.15 Zoals in de volgende paragrafen nog aan de orde zal komen, is bij de reproductie van belang dat de juiste procedure wordt gevolgd.