Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.3.4
5.3.4 De periode tussen de aanmelding van de overeenkomst en de beschikking
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578699:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 6 februari 1973, zaak 48/72 (Brasserie de Haecht), Jur. 1973, p. 77, r.o. 11. Van den Bossche 1995, p. 1107.
Van den Bossche 1995, p. 1107.
HvJ EG 13 juli 1990, zaak C-2/88 (Zwartveld), Jur. 1990, p. 1-3365. Zie voor een kennelijke uitbreiding van deze uitspraak HvJ EG 26 november 2002, zaak C-275/2000 (First en Franex), Jur. 2002, p. 1-10943. Zie Brown & Hardiman 2004, p. 299-304.
HvJ EG 13 juli 1990, zaak C-2/88 (Zwartveld), Jur. 1990, p. 1-3365, r.o. 17.
HvJ EG 13 juli 1990, zaak C-2/88 (Zwartveld), Jur. 1990, p. 1-3365, r.o. 18.
HvJ EG 28 februari 1991, zaak C-234/89 (Delimitis), Jur. 1991, p. 1-935.
SamenwerkingsBekendmaking, PbEG 1993, C 39/6. Zie onder meer Van der Woude 1993, p. 585-589; Riley 1993, p. 91-96. Zie voor de taakverdeling tussen de Commissie en de nationale rechter bij de handhaving van het kartelverbod ook het voor de publicatie van de SamenwerkingsBekendmaking verschenen arrest van het GvEA EG in de zaak Automec II. Het GvEA EG overweegt (r.o. 50-51): 'De andere gevolgen die zijn verbonden aan een inbreuk op artikel 85 EEG-Verdrag, zoals de verplichting om de aan een derde berokkende schade te vergoeden of een eventuele verplichting om een overeenkomst aan te gaan, moeten in het nationale recht worden vastgesteld (...). Derhalve is het de nationale rechter die, in voorkomend geval en volgens de voorschriften van het nationale recht, een onderneming kan gelasten, met een andere onderneming een overeenkomst aan te gaan. Aangezien de contractvrijheid regel moet blijven, kan aan de Commissie in het kader van de haar toekomende bevoegdheden om bevelen te geven om inbreuken op artikel 85, lid 1, te doen beëindigen, in beginsel niet de bevoegdheid worden verleend om een partij te gelasten contractuele betrekkingen aan te knopen, daar zij in het algemeen over passende middelen beschikt om een onderneming te verplichten een einde aan een inbreuk te maken.' Zie GvEA EG 18 september 1992, zaak T-24/90 (Automec II), Jur. 1992, p. II-2223. Zie over de samenwerking tussen het HvJ EG en de nationale rechter in de periode voor publicatie van de SamenwerkingsBekendmaking ook Bleeker 1989, p. 1615-1620.
Van den Bossche 1995, p. 1109.
In het arrest Haecht II oordeelde het HvJ EG in 1973 dat voor nieuwe overeenkomsten de aanmelding bij de Commissie geen schorsende werking kon worden toegekend. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid moest een compromis worden gevonden tussen enerzijds 'de veelal aanzienlijke vertragingen bij de Commissie in de uitoefening harer bevoegdheden' en anderzijds het onvermogen van de nationale rechter zich 'te ontheffen van de verplichting recht te doen aan de justitiabelen die de nietigheid van rechtswege inroepen’.1 Wat stond de nationale rechter nu te doen? Er konden zich drie situaties voordoen:
De rechter had de overtuiging dat duidelijk en onbetwistbaar vaststond dat de overeenkomst de mededinging of de handel tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloedde.
De rechter had de overtuiging dat de overeenkomst tot doel of ten gevolg had dat de mededinging werd beïnvloed en de onverenigbaarheid met artikel 81 EG niet in twijfel kon worden getrokken (de overeenkomst bevat clausules die op de zwarte lijst staan, bijvoorbeeld een exportverbod).2
De rechter twijfelde over de toepasselijkheid van het kartelverbod.
In het eerste geval was (en is) de situatie duidelijk. Artikel 81 lid 1 EG is niet van toepassing zodat er ook geen sancties kunnen zijn. In het tweede geval was (en is) de situatie ook duidelijk. Artikel 81 lid 1 EG is van toepassing en het derde lid is zonder twijfel niet van toepassing. De rechter hoefde zich geen zorgen te maken om een afwijkend oordeel van de Commissie en kon tot de nietigheid van de overeenkomst besluiten. In de derde situatie deed zich een probleem voor. De situatie was in ieder geval een stuk minder duidelijk. Het risico van een afwijkend oordeel van de Commissie was hier aanwezig.
Voor de inwerkingtreding van de SamenwerkingsBekendmaking had de nationale rechter op grond van het Haecht II arrest twee mogelijkheden:
Het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ EG.
Schorsing van de procedure om partijen de gelegenheid te geven rechtstreeks het oordeel van de Commissie in te winnen.
In het eerste geval kon worden verwacht dat de Commissie in de procedure voor het HvJ EG zal interveniëren om haar oordeel voor het voetlicht te brengen. In het tweede geval sloot de procedure op het eerste gezicht prima aan bij de lijdelijkheid van de rechter. Desondanks waren en zijn aan deze procedure de nodige nadelen verbonden. In 1990 wees het HvJ EG het Zwartveld arrest.3 Volgens het HvJ EG verlangde het beginsel van de gemeenschapstrouw ex artikel 5 EG-Verdrag (thans artikel 10 EG) 'niet alleen dat de gemeenschapsinstellingen en de Lid-Staten over en weer loyaal samenwerken',4 maar
'is deze verplichting van de gemeenschapsinstellingen tot loyale samenwerking van bijzonder belang in de betrekkingen met de rechterlijke autoriteiten van de Lid-Staten, die tot taak hebben te waken over de toepassing en de eerbiediging van het gemeenschapsrecht in de nationale rechtsorde.'5
Het HvJ EG overwoog, dat indien een nationale rechter een onderzoek verricht ter zake van overtreding van een gemeenschapsregeling en een verzoek richt tot de Commissie om mededeling van informatie over feiten waaruit die overtreding zou kunnen blijken
'medewerking aan een dergelijk nationaal onderzoek, in de vorm van overlegging aan de nationale rechter van documenten en het verlenen van machtiging aan haar ambtenaren om in de nationale procedure als getuige op te treden voor iedere gemeenschapsinstelling een verplichting vormt, en met name voor de Commissie, die ingevolge artikel 155 EG-Verdrag [thans artikel 211 EG, EJZ] tot taak heeft, toe te zien op de toepassing van de bepalingen van het Verdrag en van de bepalingen die de instellingen krachtens het Verdrag vaststellen.'
In de zaak Delimitis van het HvJ EG werd nog eens samengevat wat de nationale rechter kon doen als hij de beslissing van de Commissie moest afwachten.6 Het HvJ EG overwoog (r.o. 50):
'Wanneer de voorwaarden voor toepassing van artikel 85, lid 1 [thans artikel 81 EG, lid 1, EM, klaarblijkelijk niet vervuld zijn en er bijgevolg nauwelijks gevaar bestaat dat de Commissie anders zal beslissen, kan de nationale rechter de procedure voortzetten en zich over de litigieuze overeenkomst uitspreken. Dit geldt ook,
wanneer de onverenigbaarheid van de overeenkomst met artikel 85, lid 1, niet aan twijfel onderhevig is en de overeenkomst, gelet op de vrijstellingsverordeningen en eerdere beschikkingen van de Commissie, in geen geval in aanmerking komt voor een vrijstellingsbeschikking op grond van artikel 85, lid 3.'
Het HvJ EG leek de nationale rechter weinig ruimte te geven om zelfstandig overeenkomsten te toetsen aan artikel 81 EG. Ingeval ook maar op een of andere manier getwijfeld kon worden over de toepassing van artikel 81 EG, zou de nationale rechter de procedure dienen te schorsen.
In 1993 werd de 'Bekendmaking betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de nationale rechterlijke instanties voor de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag' gepubliceerd (thans artikelen 81 en 82 EG).7 Met deze Bekendmaking beoogde de Commissie duidelijker te maken hoe in individuele gevallen een nauwere samenwerking met de nationale rechterlijke instanties tot stand kon worden gebracht. Ingeval de nationale rechter twijfelde over de toepasselijkheid van het kartelverbod (situatie 3), verduidelijkte de Bekendmaking een belangrijke mogelijkheid. De nationale rechter kon zich, binnen de grenzen van zijn eigen procesrecht, zelf tot de Commissie richten om inlichtingen te vragen (§ 37 SamenwerkingsBekendmaking). Welke soort informatie kon worden gevraagd?
Inlichtingen van procedurele aard. Wordt een bepaalde zaak door de Commissie behandeld, is een bepaalde zaak aangemeld, heeft de Commissie officieel een procedure ingeleid, heeft de Commissie zich bij beschikking of een troostbrief over een zaak uitgesproken (§ 37)?
Het voorleggen van rechtsvragen en het vragen van voorlopig advies over de waarschijnlijkheid van het geven van een ontheffing (§ 38).
Het inwinnen van inlichtingen van feitelijke aard, als statistieken, marktstudies en economische analyses waarop de nationale rechter zijn oordeel zal kunnen vormen (§ 40).8