Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.6:4.3.6 Gemaakte kosten
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.3.6
4.3.6 Gemaakte kosten
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264408:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voet, Ad Pandectas I, nr. 13.7.10; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.7; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5. Zie als voorbeeld Van den Bergh, Nederlands Advys-boek, nr. 1.36.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.192 (Van Strijen & W. de Groot).
D. 20,4,5 (Ulpianus); D. 20,4,6pr (Ulpianus).
Van Bijnkershoek, OT, nr. 1545.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.192; Veldenaer/Van Boxhorn 1650, p. 223-224.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De pandgebruiker kon gemaakte kosten verhalen op de pandgever indien de pandgever met deze kosten had ingestemd. De regeling omtrent kosten die de pandgebruiker ten behoeve van het onderpand had gemaakt, was gelijk aan de Romeinse. D. 13,7,25 (Ulpianus) was ook in het Rooms-Hollandse recht van toepassing. Als over de gemaakte kosten geen afspraken waren gemaakt, kon de pandgebruiker noodzakelijke kosten terugvorderen. Daarnaast kon hij nuttige kosten terugvorderen, mits deze kosten niet onredelijk hoog waren.1
Een voorbeeld van ten behoeve van het onderpand gemaakte kosten keerde terug in de verpanding van de stad Woerden. De Hertog, pandgebruiker, had met instemming van de Staten enkele nieuwe werken rondom het kasteel aangebracht. Daarnaast had hij enkele reparaties aan het kasteel verricht; het kasteel was door de Tachtigjarige Oorlog beschadigd geraakt. De eerste kostenpost kon hij op de Staten verhalen, omdat de werken waren aangebracht met expres consent van de Staten. De tweede kostenpost kon hij op de Staten verhalen, omdat de reparatie noodzakelijk (impense necessarie) was.2
Een ander voorbeeld van een noodzakelijke kostenpost deed zich voor bij de verpanding van Zevenbergen. Het ging om de aanleg van een dijk. De pandgebruiker was door overstromingsgevaar genoodzaakt tot herdijking van Zevenbergen. In de pandovereenkomst was al bedongen dat alle kosten voor rekening van de pandgever zouden komen; de pandgebruiker kon de kosten van de dijk dus op grond van de pandovereenkomst verhalen op de pandgever. Zelfs als dit beding er niet was geweest had de pandgebruiker de kosten echter kunnen afwentelen op de pandgever, omdat het ging om noodzakelijke kosten tot behoud3 van het onderpand.4
Ten slotte bespreek ik in dit verband de mogelijkheid die de pandhouder had om grondrenten te lossen die op het onderpand rustten. De pandhouder was, zoals we hiervoor zagen, aansprakelijk voor de grondrenten waarmee verpande grond was bezwaard. Hij kon ervoor kiezen om het onderpand van zo’n rente te bevrijden door de rente te lossen. De pandhouder betaalde aan de gerechtigde tot de rente dan ineens een (in de akte van vestiging van de rente vastgelegde) afkoopsom. Hiermee ging de rente teniet. Als de pandhouder de rente had gelost, mocht hij de afkoopsom verhalen op de pandgever. Deze kwestie kwam terug in de verpanding van Woerden. Op Woerden rustte een rente met een afkoopsom van 572 ponden. De Hertog had deze rente gelost. De vraag was of de Hertog het afgekochte rentebedrag mocht optellen bij de vordering op de Staten van Holland. Het antwoord hierop was bevestigend. De Hertog was immers niet gehouden om de rente te lossen. De lossing was in het voordeel van de pandgever. Doordat de Hertog de rente had gelost, nam de jaarlijkse gebruiksopbrengst van Woerden toe. De Hertog mocht de afgekochte rente dus verhalen op de Staten van Holland. Het bedrag van de afkoopsom telde bovendien mee voor de berekening van de rente die de Staten van Holland jaarlijks verschuldigd waren over de vordering tot betaling van losgeld waarvoor het pandrecht op de stad Woerden was gevestigd.5