Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/6.2.1
6.2.1 Het grondslagstelsel
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Boksem 1996, p. 13-49. Volgens Boksem speelden hierbij – naast de afschaffing van de juryrechtspraak in 1813 en de introductie van een bewijsstelsel – de lijdelijkheid van de rechter in zogenoemde civiele zaken en de afschaffing van de akte van beschuldiging in 1886 een rol. Zie voor de historie van het grondslagstelsel ook Knigge 1994, p. 37-116. Hij vermoedt dat de wortels van de huidige grondslagleer liggen in de in vroegere tijden bestaande correctionele wijze van procederen. Het correctionele proces was er voor de minder ernstige strafzaken (de ernstigere zaken werden behandeld in een crimineel proces voor een jury) en was civielrechtelijk georiënteerd. De tenlastelegging werd daarin door de tamelijk lijdelijke rechter gezien als de conclusie van eis van de officier van justitie. Daarbij kwam de introductie van een wettig bewijsstelsel in 1838. Als gevolg daarvan moest het oordeel dat een strafbaar feit was begaan voortaan berusten op wettige bewijsmiddelen. Het eindpunt was dat de officier van justitie als dominus litis kwam te gelden.
HR 30 januari 1933, NJ 1933, p. 588 en HR 30 januari 1933, NJ 1933, p. 591 m.nt. Taverne.
De Jong 1981, p. 5-7.
De Jong 1981, p. 13.
HR 27 juni 1995, NJ 1996, 126 en 127, m.nt. Groenhuijsen.
Commissie Moons 1993, p. 21-25.
Commissie Moons 1993, p. 25-28.
Cnopius 1913, p. 27.
Commissie Moons 1993, p. 28-30.
Commissie Moons 1993, p. 31-35.
De regeling van art. 47 en 48 WED is, op papier, aanmerkelijk ruimer dan de regelingen uit het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie is volgens art. 48 WED in beginsel niet gehouden tot het doen van een nadere opgave van het feit. Dat is slechts anders indien naar het oordeel van de rechter de verdachte door de enkele aanduiding van het feit dat ten laste wordt gelegd en de vermelding van omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het zou zijn begaan (zoals art. 47 WED eist) in zijn verdediging benadeeld zou worden. In zijn arrest van 1 maart 1955, nr. 56 946, SEW 1954/55, p. 223 heeft de Hoge Raad echter korte metten gemaakt met deze regeling. De Hoge Raad overwoog dat het OM en niet de rechter heeft te zorgen dat een nadere opgave van het feit als bedoeld in art. 48 WED wordt gedaan, terwijl bij gebreke van zodanige nadere opgave het bij dagvaarding tenlastegelegde toch in elk geval alle bestanddelen van het strafbare feit moet behelzen.
Zo kan een tenlastelegging waarin de verdachte wordt beschuldigd van verduistering worden gewijzigd in een aanklacht wegens heling, vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3571, NJ 2013, 177. Ook oplichting en witwassen kunnen hetzelfde feit als bedoeld in art. 313 Sv opleveren, vgl. HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8645, NJ 2013, 281.
Vgl. bijv. HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009, 494, m.nt. Reijntjes. In die zaak had het Hof de in de tenlastelegging vermelde tijdsaanduiding ‘op of omstreeks 19 juni 2005’ in de bewezenverklaring gewijzigd in ‘op 16 september 2005’. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof – gelet op de aard van de wijziging – zijn oordeel dat sprake is van een misslag nader had moeten motiveren, evenals het oordeel dat de verdachte die noch in eerste aanleg noch in hoger beroep was verschenen door de aangebrachte wijziging niet in zijn verdediging is geschaad. Een dergelijke verbetering is kennelijk niet zonder meer uitgesloten. Ook een plaatsaanduiding kan verbeterd worden gelezen, vgl. HR 26 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC9304, NJ 1996/93. Het inlezen van een plaatsaanduiding ging de Hoge Raad wel te ver in HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8787, NJ 2011, 544.
Vgl. bijv. HR 24 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0510, NJ 2009, 172 en HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2958.
De artikelen 348 en 350 Sv houden onder meer in dat de rechter beraadslaagt op de grondslag van de tenlastelegging. Het daaraan voorafgaande onderzoek ter terechtzitting zal dus logischerwijs ook betrekking hebben op die tenlastelegging. Het proces van waarheidsvinding speelt zich aldus af binnen de grenzen van de tenlastelegging. Er wordt ‘slechts’ onderzocht of hetgeen is tenlastegelegd bewezen kan worden. Wat niet is tenlastegelegd, is niet aan de orde. De rechter is vrij strikt gebonden aan de weergave van de feiten in de tenlastelegging en, indien in de tenlastelegging opgenomen, de daaraan gegeven juridische kwalificatie. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben. Een verkeerd ten laste legde datum of pleegplaats kan leiden tot vrijspraak. Een ontbrekend bestanddeel kan leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging. En een ontbrekende strafverzwaringsgrond kan leiden tot een lagere straf.
Uit het hiervoor genoemde onderzoek van Boksem blijkt dat het grondslagstelsel zoals wij dat kennen nog maar betrekkelijk kort bestaat en niet berust op een bewuste keuze van de wetgever. Het heeft zich ontwikkeld in een soort wisselwerking tussen zittende en staande magistratuur. Geleidelijk ontstond in de rechtspraak een stelsel waarin de rechter zich min of meer gebonden achtte door de woorden van de tenlastelegging. Voor een veroordeling was nodig dat een strafbaar feit werd tenlastegelegd. Als gevolg daarvan bleef de officier van justitie bij het opstellen van de tenlastelegging steeds dichter bij de tekst van de wet. De tenlastelegging werd hierdoor steeds kwalificatiever. Daarbij kwam dat rechters op een gegeven moment gingen verlangen dat de tenlastelegging alle delictsbestanddelen bevatte. Zo liet de rechter zichzelf in zijn vrijheid ten opzichte van de tenlastelegging beperken, terwijl de officier van justitie zich vastlegde op een bepaalde kwalificatie.1
Na de inwerkingtreding van het Wetboek van Strafvordering van 1926 heeft de Hoge Raad de grondslagleer verder doorgevoerd in twee arresten uit 1933.2 In die arresten besliste de Hoge Raad dat de rechter zowel wat betreft de formele als de materiële vragen moet beraadslagen op de grondslag van de tenlastelegging. Volgens De Jong heeft de Hoge Raad hiermee aan het opportuniteitsbeginsel een aanzienlijk ruimere toepassing gegeven. Tot 1933 bracht het opportuniteitsbeginsel mee dat het OM alleen om bepaalde redenen kon beslissen een strafbaar gebeuren niet te vervolgen. Vanaf 1933 geldt dat het OM ook over de aard van de vervolging kan beslissen. De verhouding tussen rechter en OM wordt sinds 1933 gekenmerkt door deze machtenscheiding en is voor de verdachte van groot belang. Hij mag ervan uitgaan dat het proces alleen zal gaan over de door het OM tenlastegelegde feiten.3
Het grondslagstelsel vindt volgens De Jong steun in drie beginselen:
het zojuist genoemde opportuniteitsbeginsel, inhoudende dat het OM kan beslissen over het al dan niet vervolgen van een verdachte én over de omvang van de vervolging;
het inzicht dat de verdachte er recht op heeft, uiterlijk bij de aanvang van het eindonderzoek over de definitieve aanklacht te worden geïnformeerd;
het beginsel dat berechting binnen een redelijke termijn dient plaats te vinden.
Daarbij komt dat de bevoegdheid van het OM om in de tenlastelegging een selectie te maken uit de vermoedelijk gepleegde feiten en om zo het rechterlijk onderzoek tot die feiten beperkt te houden, in belangrijke mate een efficiënt verloop van het eindonderzoek bevordert. Voornoemde beginselen en het efficiencyargument verlenen het grondslagstelsel volgens De Jong meer dan voldoende bestaansrecht. Gevaar van een dergelijk systeem is wel een zekere starheid, in die zin dat een papieren werkelijkheid – de tenlastelegging – het strafproces gaat beheersen. Dit wordt ook wel de tirannie van de tenlastelegging genoemd. De – in het navolgende nog te bespreken – door de wetgever en rechter ontwikkelde correctiemechanismen, zoals wijziging van de tenlastelegging en het verbeterd lezen, bieden volgens De Jong echter voldoende mogelijkheden om dit gevaar te bedwingen.4
De door De Jong genoemde beginselen komen ook min of meer terug in de jurisprudentie van de Hoge Raad. In een tweetal arresten van 27 juni 1995 overwoog de Hoge Raad:
“Gelet op art. 258, eerste lid, Sv in samenhang met art. 261, eerste en tweede lid, Sv en de artikelen 348 en 350 Sv strekt de telastelegging ertoe, voor de procesdeelnemers – zowel voor het openbaar ministerie en de rechter als voor de verdachte – de inzet van het geding met de vereiste duidelijkheid vast te leggen.
De gebondenheid van de rechter voor wat betreft de bewezenverklaring aan de in de telastelegging gestelde grenzen is reeds in de vorige eeuw in de rechtspraak tot uitdrukking gekomen en heeft als uitgangspunt gegolden bij de opneming van de artikelen 313 en 314 in het huidige Wetboek van Strafvordering (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1913-1914, 286, nr 3, blz. 152-154). Het aldus geconsolideerde grondslagstelsel hangt samen met het aan het Nederlandse strafproces ten grondslag liggende beschuldigingsbeginsel en de daarin gelegen taakafbakening tussen openbaar ministerie en rechter, waarbij het openbaar ministerie en niet de rechter de omvang van de strafvervolging bepaalt.
Dit stelsel dient voorts de belangen van de verdachte. De telastelegging verschaft hem immers de nodige duidelijkheid omtrent de uiteindelijke omvang van de vervolging en stelt hem aldus in staat zijn verdediging daarop af te stemmen. Ten slotte bevordert het grondslagstelsel de doelmatigheid van het onderzoek ter terechtzitting. De telastelegging kanaliseert immers het door de rechter te verrichten onderzoek en behoedt daardoor het strafproces voor tijdrovende wendingen in verband met wijzigingen in de omvang van de vervolging.”5
In 1993 constateerde de Commissie Moons dat de strikte gebondenheid van de rechter aan de tenlastelegging aanleiding gaf tot maatschappelijke onvrede over het functioneren van het strafproces. Het publiek zou niet begrijpen waarom in dit stelsel een verdachte vrijuit kan gaan hoewel iedereen ervan overtuigd is dat hij strafbaar heeft gehandeld, terwijl dit ook uit de bewijsmiddelen blijkt. De commissie achtte een versoepeling van deze gebondenheid aan de tenlastelegging gewenst. Na de functies van de tenlastelegging te hebben vastgesteld – enerzijds het informeren van de verdachte over de tegen hem ingebrachte beschuldigingen en anderzijds de rechter informeren over het object, en dus de grenzen, van het onderzoek – onderzocht de Commissie drie varianten op het grondslagstelsel, die elk aan de genoemde functies voldoen.6
In de eerste variant bevat de tenlastelegging een materiële omschrijving van het feit, de tijd en plaats alsmede de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Daarnaast bevat de tenlastelegging een verwijzing naar de toepasselijke strafbepalingen.7 Ter verdere illustratie verwees de commissie naar Cnopius, die al eerder voor deze manier van tenlasteleggen had gepleit.8 Cnopius stelde het zich als volgt voor:
“Het O.M. roept den beklaagde op om zich te verantwoorden ter zake van overtreding van met de cijfers aan te duiden strafwetsartikelen. Welke artikelen wel, en welke niet noodzakelijk opgenomen moeten worden is te beslissen volgens de vaste jurisprudentie van den Hoogen Raad omtrent art. 221, 2de lid, Wetb. v. Strafvordering, waar dit college zich uitgesproken heeft omtrent de artikelen, die noodwendig in een vonnis moeten voorkomen. Hierna volgt eene toelichting van het feit, bevattende tijd en plaats alsmede de omstandigheden waaronder het feit gepleegd is. De vorm dezer toelichting zij vrij, mits zij maar volledig is. In geen geval zal dergelijke toelichting korter zijn dan de thans uitgebrachte dagvaarding, maar, en dat is de hoofdzaak, zij kan in meer begrijpelijken vorm gegeven worden, wanneer in de toelichting enkel feiten behoeven voor te komen, terwijl elementen van den zin als: “het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening”, “om het stuk als echt en onvervalscht te gebruiken”, daarin niet zouden behoeven gevonden te worden, omdat deze geacht werden opgenomen te zijn door aanhaling van het wetsartikel waarin ze voorkomen.”9
De commissie zag dit als een nieuwe tenlasteleggingstechniek, waarbij met een materiële feitomschrijving werd volstaan. In de tweede variant werd uitgegaan van de bestaande tenlasteleggingstechniek, maar kreeg het OM de mogelijkheid om, binnen de grenzen van art. 68 Sr, de tenlastelegging ook na het requisitoir, met inbegrip van de appelfase, te wijzigen. Uiteindelijk wees de commissie deze variant af, onder meer omdat hierin de bevoegdheden van het OM werden verruimd ten koste van de verdedigingspositie van de verdachte.10 De derde variant hield in dat de rechter zelf onder bepaalde voorwaarden de bevoegdheid zou krijgen de tenlastelegging te wijzigen of daarvan af te wijken. De commissie stelde daartoe voor in de artikelen 348 en 350 Sv de woorden “op den grondslag der telastelegging” te wijzigen in “naar aanleiding van de telastelegging”.11
De wetgever koos de oplossing die de Commissie Moons te ver vond gaan: het werd mogelijk de tenlastelegging gedurende het hele proces in eerste aanleg en in hoger beroep te wijzigen12
In de wetgeving en jurisprudentie zijn in de loop van de tijd een aantal versoepelingen van en correctiemechanismen op de grondslagleer ontwikkeld. In de eerste plaats biedt de wet in de gevallen genoemd in art. 370a, Sv, art. 375, derde lid, Sv, art. 386, eerste lid, Sv en art. 47 en 48 WED13 de mogelijkheid te volstaan met een verkorte tenlastelegging. Die tenlastelegging dient overigens op een gegeven moment wel te worden aangevuld. In de tweede plaats bieden de artikelen 312-314a Sv de mogelijkheid de tenlastelegging aan te vullen of te wijzigen, zolang wel sprake blijft van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr.14 Van deze mogelijkheid kan gedurende het hele proces, in eerste aanleg én in hoger beroep,15 gebruik worden gemaakt. In de derde plaats is het aan de rechter de tenlastelegging te interpreteren. Dat valt uiteen in twee onderdelen. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat kennelijke schrijffouten in de tenlastelegging door de rechter mogen worden verbeterd, mits de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Een dergelijke verbetering is niet een wijzing van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist.16 Ook kan de rechter een zaak soms ‘redden’ door de tenlastelegging op een bepaalde manier uit te leggen. De uitleg die de rechter aldus aan de tenlastelegging geeft, mag echter niet strijdig zijn met haar bewoordingen.17