Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/2.5.2.2
2.5.2.2 Informatieplichten in de verzekeringsrechtelijke sfeer en de verzekeringsrechtelijke bereddingsplicht
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973618:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/571; Frenk2011, par. 2.4; Bartels & Van Tiggele-van der Velde 2022, par. 2; Van Tiggele-van der Velde & Wansink, Bespiegelingen op 10 jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht (R&P nr. VR4) 2015/8.1-8.2.
Frenk2011, par. 3.1.
Idem.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2020/11; Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/19.
Zie Langheidt/Wandt 2022, par. 82, nr. 4; zie voorts Looschelders/Pohlmann 2022, par. 82 VVG, nr. 12.
Zie overigens ook par. 202 VVG, specifiek voor verzekeraars in de medische sfeer.
Bezien wij nu de heersende opvattingen met betrekking tot afdwingbaarheid van Obliegenheiten in de verzekeringsrechtelijke sfeer. Vooral de meldingsplicht en de bereddingsplicht van de verzekerde zijn van belang. Verzekeringnemers en andere tot uitkering gerechtigden, die aanspraken onder een verzekering hebben aanvaard, zijn krachtens de verzekeringsovereenkomst verplicht de verwezenlijking van het verzekerde risico zo spoedig mogelijk aan de verzekeraar te melden (art. 7:941 lid 1 BW). Zij zijn bovendien verplicht de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor de beoordeling van de uitkeringsplicht van de verzekeraar van belang zijn (art. 7:941 lid 2 BW). Daarnaast zijn de verzekeringnemer en andere tot uitkering gerechtigden verplicht binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden, zodra zij van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte zijn of behoren te zijn (art. 7:957 lid 1 BW). Voor de verzekeringnemer en andere tot uitkering gerechtigden geldt volgens de heersende leer in het verzekeringsrecht impliciet dat deze verplichtingen verbintenissen zijn.1 Niet-nakoming daarvan leidt tot een schadevergoedingsplicht jegens de verzekeraar op de voet van art. 6:74 BW, die op de voet van art. 6:129 BW door de verzekeraar kan worden verrekend met diens uitkeringsplicht onder de verzekeringsovereenkomst.
Als een derde, dus niet de verzekeringnemer zelf, in aanmerking komt om als tot uitkering gerechtigde onder een verzekeringsovereenkomst te worden aangemerkt, maar de aanwijzing daartoe nog niet heeft aanvaard, geldt voor deze derde nog geen contractuele meldings- of bereddingsplicht. De wetgever heeft voor de situatie waarin de betreffende derde een aanwijzing nog niet heeft aanvaard terwijl het verzekerde risico zich al wel verwezenlijkt een wettelijke verplichting tot melding of beredding voor de derde geformuleerd. Dat heeft de wetgever gedaan door in art. 7:926 BW en art. 7:945 BW te bepalen dat ook de derde, die de aanwijzing nog niet heeft aanvaard, beschouwd wordt als tot uitkering gerechtigde, zodat de plichten uit art. 7:941 BW en art. 7:957 BW ook voor die derde gelden. De wettelijke grondslag voor vermindering van het uit te keren bedrag jegens een dergelijke derde, die de aanwijzing nog niet heeft aanvaard, is vervolgens opgenomen in art. 7:941 lid 3 BW voor de meldingsplicht en in art. 7:957 lid 3 BW voor de bereddingsplicht.
De minister heeft ten aanzien van art. 7:941 lid 3 BW expliciet overwogen dat sprake is van een Obliegenheit:
“Over art. 7.17.1.14, eerste lid, zij opgemerkt dat de daar bedoelde meldingsplicht voor de derde die nog niet heeft aanvaard, niet als een verbintenis kan worden aangemerkt. Hij is immers nog geen partij bij de verzekeringsovereenkomst. De plicht voor deze derde om de schade te melden dient dan ook te worden opgevat als een Obliegenheit die bij niet-nakoming afbreuk doet aan het recht op uitkering voor het geval de derde na verwezenlijking van het risico alsnog aanvaardt. Met de aan de Duitse doctrine ontleende term ‘Obliegenheit’ wordt hier gedoeld op een gehoudenheid waarbij – anders dan bij een verplichting, waarvan in beginsel de nakoming kan worden gevorderd en die in geval van niet-nakoming degene die daardoor schade lijdt recht geeft op schadevergoeding – niet-inachtneming leidt tot vermindering of verval van de eigen rechten van degene op wie de Obliegenheit rust. Dit geldt evenzo bij de niet-aanvaard hebbende derde voor de bereddingsplicht van art. 7.17.2.18, die dan als «verplichting» vergelijkbaar is met de uit art. 6:101 BW voortvloeiende «verplichting» van de gelaedeerde om zijn schade te beperken. Immers, ook bij art. 6:101 BW heeft de niet-nakoming van deze Obliegenheit voor de gelaedeerde geheel of gedeeltelijk verlies van zijn recht op schadevergoeding tot gevolg. Zie Asser-Hartkamp 4-I, nrs. 11 en 453.”2
Ten aanzien van de bereddingsplicht is de gedachtegang van de minister min of meer gelijkluidend:
“2. Evenals de meldingsplicht kan de bereddingsplicht in veel gevallen worden gezien als een verbintenis welke ingevolge art. 6:74 BW bij een toerekenbare niet-nakoming tot schadevergoeding verplicht. Indien in dat geval de verzekerde deze verplichting niet nakomt, dan kan de verzekeraar zijn aanspraak op schadevergoeding verrekenen met de uitkering. Deze mogelijkheid ontbreekt echter indien de verzekerde zijn aanwijzing nog niet heeft aanvaard, omdat op hem in dat geval door de verzekering geen verbintenissen kunnen worden opgelegd. In die situatie kan evenals bij de meldingsplicht de bered-dingsplicht beter worden opgevat als een Obliegenheit, die bij verzaking aanleiding geeft tot vermindering van de uitkering. Daarom verdient het ook hier aanbeveling dat de wet bij de niet-nakoming van de bereddingsplicht door de verzekerde een zelfstandige grondslag biedt voor vermindering van de uitkering. Het nieuwe derde lid biedt deze grondslag.”3
De minister zoekt in deze passages expliciet aansluiting bij de in Nederlandse literatuur algemeen aanvaarde definitie van de Obliegenheit, dus een niet-afdwingbare verplichting waarvan de schending geen grondslag biedt voor schadevergoeding van benadeelden. Dat volgt vooral uit de slotpassage van de opmerkingen van de minister ten aanzien van art. 7:941 lid 3 BW. Uit de hiervoor geciteerde passages volgt daarnaast dat de minister van oordeel is dat de meldingsplicht en de bereddingsplicht in andere gevallen als verbintenis moeten worden aangemerkt, zoals ook in de literatuur tot uitgangspunt wordt genomen.
De minister heeft verder geen gedachte gewijd aan de afdwingbaarheid van deze verplichtingen voor zover zij verbintenissen zouden zijn met betrekking tot de verzekeringnemer en andere tot uitkering gerechtigden die al wel een aanwijzing hebben aanvaard (art. 7:941 lid 1-2 en art. 7:957 lid 1-2). Frenk heeft het verbintenisrechtelijke karakter van de meldingsplicht evenwel in twijfel getrokken. Als een verzekeraar daarvan nakoming zou vorderen, veronderstelt dat dat de verzekeraar op de hoogte is van de verwezenlijking van het risico.4 Als de verzekeraar op de hoogte is van verwezenlijking van het risico, ontvalt de zin aan de mededelingsplicht. Als de verzekeraar daar geen weet van heeft, valt niet goed in te zien hoe hij ooit nakoming van de mededelingsplicht van de verzekerde zou kunnen vorderen. Frenk hanteert hier dezelfde redenering als ik in de paragraaf hiervoor ten aanzien van mededelings- en informatieplichten in het algemeen heb weergegeven. In het verzekeringsrechtelijke domein kunnen dezelfde nuancerende kanttekeningen bij deze gedachte worden geplaatst als ik hiervoor in het kader van algemene informatieplichten, en in het bijzonder rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten, heb gedaan. Met betrekking tot de bereddingsplicht ligt dit een en ander overigens duidelijk anders, omdat deze plicht zonder meer nog van belang kan zijn nadat de verwezenlijking van het risico aan de verzekeraar is gemeld. Daarom is denkbaar dat van de bereddingsplicht onder omstandigheden nakoming kan worden gevorderd.5
Volgens de auteurs die zich met deze rechtsfiguren hebben beziggehouden, met uitzondering van Frenk, noch de minister vormt deze vraag voldoende grond om een onderscheid naargelang de mogelijke afdwingbaarheid te maken. Zij zien vooral de vraag of sprake is van een contractuele verhouding als het scharnierpunt voor de vraag of de verplichting een Obliegenheit of verbintenis vormt. Die zienswijze is niet zonder meer juist. Men ziet er ofwel aan voorbij dat van de kwalificatie van een informatie- of mededelingsplicht als verbintenis de suggestie uitgaat dat van de betreffende plicht altijd nakoming kan worden gevorderd. Ofwel ziet men eraan voorbij dat een contractuele verhouding nog niet zonder meer betekent dat de betreffende plicht daadwerkelijk afdwingbaar is: contractuele Obliegenheiten zijn heel wel denkbaar.6
In het verzekeringsrechtelijke domein gaat men in Duitsland overigens uit van de veronderstelling dat Obliegenheiten, anders dan rechtsplichten en verbintenissen, worden gekenmerkt door het feit dat zij niet-afdwingbaar zijn. In het kader van informatie- en mededelingsplichten in het Duitse verzekeringsrecht spreekt men vrij consequent van Obliegenheiten, ook ten aanzien van contractuele informatie-, meldings- en andere medewerkingsplichten die onder meer op de verzekerde rusten. Zo geldt in het Duitse verzekeringsrecht bij de ‘vorvertragliche Anzeigepflicht’ (par. 19 Versicherungsvertragsgesetz (VVG)) van de verzekerde dat de verzekeraar een zogeheten ‘Nachfrageobliegenheit’ heeft, een niet-afdwingbare verplichting om navraag bij de potentiële verzekerde te doen wanneer de verzekeraar op basis van de verschafte antwoorden van de verzekerde moet beseffen dat de verzekerde tekortschiet in zijn Anzeigepflicht.7 Daarnaast bevat de Duitse verzekeringswet in par. 82 (VVG), net als het Nederlandse boek 7 BW, een bereddingsplicht die de Duitse schrijvers anders dan de Nederlandse (zie par. 3.2.1 hiervoor) zonder meer als ‘Obliegenheit’ kwalificeren. De term is volgens het Duitse recht dus niet slechts gereserveerd voor de gehoudenheid van de nog niet aanvaard hebbende derde ten opzichte van de verzekeraar.8 Dat geldt ook voor de verzekeringsrechtelijke meldingsplicht naar Duits recht, par. 31 VVG.9