Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.6.2:2.2.3.6.2 Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.2.3.6.2
2.2.3.6.2 Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859115:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook par. 2.2.3.
Hof Amsterdam 13 mei 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AC3027, NJ 1977/213. Zie over deze uitspraak nader par. 1.6.1.1.
Zie over deze bepaling nader par. 2.3.6.
Zie over deze uitspraak nader par. 2.2.3.5.
Zie par. 1.6.1.1.
KvN Amsterdam 14 november 2019, ECLI:NL:TNORAMS:2019:23, zaaknummer 665626 /NT 19-23. Zie over deze tuchtuitspraak nader par. 3.6.1 en de uitspraak uit 1976 par. 1.6.1.1.
Zie over art. 7:184 BW uitgebreider par. 2.3.6.
In par. 2.3.4 wordt nog een iets verdere uitbreiding gesuggereerd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een kleine anderhalf jaar na de veel besproken uitspraak van de Rechtbank Gelderland zag het hoger beroep het daglicht. Het hof concludeert dat M, ondanks het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling, onwaardig is om te erven van V. Deze slotsom kent een lange aanloop die begint met de opmerking dat artikel 4:3 lid 1 sub a BW de opvolger is van het grotendeels gelijkluidende artikel 885 OBW. Ook destijds vorderde de wet voor onwaardigheid een veroordeling wegens het ombrengen van de erflater.
Het hof staat vervolgens stil bij de betekenis van het begrip veroordeling in artikel 4:3 lid 1 sub a BW. Terecht oordeelt het hof dat uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het gaat om een strafrechtelijke veroordeling.1 Aan deze eis wordt niet voldaan nu M is ontslagen van alle rechtsvervolging. De wetsgeschiedenis biedt volgens het hof geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de wetgever heeft beoogd ook de situatie dat de dader niet strafbaar is, onder het bereik van de onwaardigheidsbepaling te brengen. Het hof haalt verschillende passages aan uit de wetsgeschiedenis die het belang van een strafrechtelijke (onherroepelijke) veroordeling onderstrepen en waaruit volgt dat van onwaardigheid geen sprake is bij vrijspraak of een schikking met de officier van justitie. Hoewel de situatie van ontslag van alle rechtsvervolging vanwege ontoerekeningsvatbaarheid daarin niet aan de orde komt, is het niet aannemelijk dat de wetgever in 1838 heeft beoogd het geval dat het gepleegde feit strafbaar is, maar de dader zelf niet strafbaar ook onder het bereik van artikel 885 OBW te brengen, aldus het hof. Het hof vervolgt dat een veroordeling van een dader die ontoerekeningsvatbaar was, op grond van de toen nog geldende Code Penal niet mogelijk was. Hierbij wordt door het hof nog verwezen naar de uitspraak van het Hof Amsterdam uit 1976.2
Het hof betrekt in zijn oordeel ook andere bepalingen uit het BW waarin gevolgen worden verbonden aan het plegen van een misdrijf als doodslag. Het hof haalt hierbij artikel 7:184 lid 1 sub b BW aan, de pendant uit het schenkingsrecht. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis concludeert het hof dat bij deze bepaling een strafrechtelijke veroordeling niet is vereist en dat bij een strafuitsluitingsgrond (zoals een psychische stoornis) op deze bepaling door de schenker geen beroep kan worden gedaan.3
Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de verzekeringsrechtelijke onwaardigheidsvariant in artikel 7:973 BW komt het hof tot de slotsom dat de werking van die bepaling, net als in artikel 4:3 lid 1 sub a BW, is beperkt tot de gevallen waarin een strafrechtelijke veroordeling heeft plaatsgevonden. Er zijn volgens het hof geen aanwijzingen dat de wetgever voor ogen heeft gehad deze bepaling ook te laten gelden als degene die de dood van de verzekerde heeft teweeggebracht daarvoor wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof vervolgt met de strekking van onwaardigheid. De gedraging is waar het om draait. De eis van een strafrechtelijke veroordeling dient de rechtszekerheid, omdat het juridisch vaststelt dat de ‘dader’ de feiten heeft gepleegd alsmede dat hij strafbaar is. Daarnaast blijkt dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 4:3 lid 1 sub a BW (en de schenkings- en verzekeringsvariant) niet onder ogen heeft gezien dat de ‘dader’ niet strafrechtelijk is veroordeeld, maar ontslagen van alle rechtsvervolging, bijvoorbeeld vanwege een psychische stoornis, aldus het hof.
De vraag of artikel 4:3 lid 1 sub a BW zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook de situatie valt dat de daad wel, maar de dader wegens ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is, zou het hof als alleen gelet wordt op de gangbare betekenis van de bewoordingen van de bepaling, de wets- en rechtsgeschiedenis, verwante bepalingen uit het BW en de strekking van de bepaling ontkennend beantwoorden. Daarmee is de kwestie niet afgedaan. De broer van V vraagt bij de uitleg en toepassing van de onwaardigheidsbepaling ook de artikelen 2 en 8 EVRM te betrekken en verwijst daarbij naar de uitspraak van de Roemeense erflater.4
Het hof overweegt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling de rechtszekerheid dient en daarmee de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen als bedoeld in artikel 8 lid 2 EVRM. Het hof is van oordeel dat het onverkort vasthouden aan dat belangrijke principe in deze zaak, gelet op de bijzondere omstandigheden daarvan, afbreuk zou doen aan de bescherming van het familieleven van de broer van V. In dit geval staat vast dat V door M om het leven is gebracht. Ook staat vast dat M (enig) inzicht in zijn handelen heeft gehad en dat sprake is van opzet. Een en ander is vastgesteld in de strafrechtelijke procedure. Daarmee is volgens het hof voldaan aan de eis van rechtszekerheid en is rekening gehouden met het belang van M dat volgens de regels van het Wetboek van Strafrecht en van Strafvordering wordt bepaald of hij de ‘daad’ heeft gepleegd waaraan artikel 4:3 lid 1 sub a BW onwaardigheid verbindt.
Het hof gaat vervolgens in op het feit dat M niet strafbaar is. Dit ontneemt aan zijn gedragingen geenszins het gruwelijke karakter en de impact daarvan op de naaste familie van V, onder wie haar broer. Het maakt, kortom, de ontzetting en het verdriet van de familie over het mishandelen en doden van V en de angst voor M niet minder, aldus nog steeds het hof.
Het hof oordeelt dat een juist evenwicht tussen het belang van M en het door artikel 8 lid 1 EVRM beschermde belang van de broer, zijnde respect voor zijn familieleven, ontbreekt als in deze zaak geen rekening zou worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de relatie van M met V en van M met de broer en zijn familie. Die bijzondere omstandigheden somt het hof op. Dit betreffen de gruwelijke wijze waarop V door M om het leven is gebracht en daarmee heeft hij het door artikel 2 EVRM beschermde recht op leven van V geschonden alsook de agressieve, grensoverschrijdende en angstwekkende wijze waarop M zich in de jaren daarvoor en daarna jegens V, de broer en zijn familie heeft gedragen. M heeft V geïsoleerd van haar familie en vrienden en haar psychisch en fysiek mishandeld. M heeft zich op zeer agressieve wijze bemoeid met de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders van V en de broer. Hij heeft familie en vrienden van V bedreigd, de zoon van de broer zelfs met de dood. M heeft ook bij hen ingebroken en goederen van hen vernield waarvoor hij strafrechtelijk is veroordeeld. Met betrekking tot deze feiten is niet vastgesteld dat M ook ten aanzien daarvan ontoerekeningsvatbaar was. M heeft de broer er zelfs van beschuldigd V te hebben gedood. De broer is urenlang vastgehouden en verhoord als verdachte. M heeft nooit wroeging getoond over wat hij heeft gedaan en ook nooit zijn spijt betuigd aan de broer en zijn familie. M heeft kort na zijn veroordeling de transmurale verlofstatus gekregen. De broer heeft vanwege al deze gedragingen een grote en gegronde angst voor M. Het vermogen van V bestaat nagenoeg geheel uit hetgeen zij heeft geërfd van haar ouders. M had geen enkel vermogen toen hij met V trouwde, welk huwelijk net twee jaar heeft geduurd. De nalatenschappen van de ouders van V en de broer moeten nog worden afgewikkeld. Als M erfgenaam zou zijn, zou de broer samen met hem die afwikkeling moeten regelen.
Alles overziend, het bepaalde in artikel 8 lid 1 EVRM en de bijzondere omstandigheden van deze zaak, komt het hof tot de slotsom dat een redelijke wetstoepassing in dit geval meebrengt dat bij de toepassing van artikel 4:3 lid 1 onder a BW de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven.5 Dat betekent dat M onwaardig is om van V te erven.
Gelet op de feiten en omstandigheden komt het hof mijns inziens tot een niet meer dan gerechtvaardigd resultaat: M erft niet. Dat neemt niet weg dat een en ander te zeggen valt over de gronden waarop de beslissing steunt.
Op basis van de wetsgeschiedenis concludeert het hof met juistheid dat de wetgever niet heeft beoogd de situatie dat een dader niet strafbaar is, onder het bereik van artikel 4:3 lid 1 sub a BW te brengen. Even later merkt het hof op dat de wetgever bij de totstandkoming van deze bepaling – en de schenkings- en verzekeringspendant – niet onder ogen heeft gezien dat de dader ook niet kan zijn veroordeeld, omdat hij niet strafbaar is. Die mening deel ik niet. Zoals in paragraaf 2.2.3.6.1 reeds opgemerkt, was er, hoewel niet expliciet aangehaald in de wetsgeschiedenis, bij de totstandkoming van artikel 4:3 BW jurisprudentie aanwezig waarin van onwaardigheid geen sprake is vanwege ontslag van alle rechtsvervolging.6 Het hof verwijst ook naar deze uitspraak uit 1976 van het Hof Amsterdam. De wetgever heeft desondanks vastgehouden aan een strafrechtelijke veroordeling als voorwaarde voor onwaardigheid. Om met de KvN Amsterdam te spreken heeft de wetgever in ieder geval bij de invoering van artikel 4:3 BW kennelijk geen afwijking beoogd van de reeds onder het oude recht ingezette lijn sinds het arrest van het Hof Amsterdam dat een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is vereist voor onwaardigheid.7 Bovendien volgt uit de parlementaire geschiedenis bij de schenkingsvariant dat de wetgever wel degelijk oog heeft gehad voor de situatie dat sprake is van een strafuitsluitingsgrond. Het hof merkt zelf op dat bij een strafuitsluitingsgrond (zoals een psychische stoornis) op artikel 7:184 BW door de schenker geen beroep kan worden gedaan. In de parlementaire geschiedenis is daarbij expliciet verwezen naar de artikelen 39 tot en met 43 Sr.8Artikel 39 Sr legt zich toe op de niet toerekenbaarheid. De wetgever heeft dus wel degelijk onder ogen gezien dat een dader niet strafbaar kan zijn, bijvoorbeeld wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Dat staat een beroep op artikel 7:184 BW in de weg.9 Gelet hierop is in mijn ogen de overweging van het hof wel weer correct dat op grond van de gangbare betekenis van de bewoordingen van de bepaling, de wets- en rechtsgeschiedenis, verwante bepalingen uit het BW en de strekking van onwaardigheid, artikel 4:3 lid 1 sub a BW niet zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook de situatie valt dat de dader is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid.
Het hof gaat vervolgens te rade bij de artikelen 2 en 8 EVRM alsmede de uitspraak van de Roemeense erflater. Uit de Roemeense erflater volgt dat de eis van een veroordeling de rechtszekerheid dient. Het stelt vast dat de dader het feit heeft gepleegd alsmede dat hij strafbaar is. In dit geval staat vast dat V door M is omgebracht. Dat is door de strafrechter bewezen verklaard. Strafbaar is M echter niet. De Roemeense erflater leert ook dat als een verdragsstaat bepalingen over onwaardigheid heeft opgenomen in de nationale wet deze conform hun bedoeling moeten worden uitgelegd. De wetgever heeft niet de bedoeling gehad een niet strafbare dader onder het bereik van artikel 4:3 lid 1 sub a BW te brengen, zo concludeert het hof zelf ook. Het is daarmee de vraag of artikel 4:3 BW wel conform zijn bedoeling wordt uitgelegd als het hof in dit geval de eis van een veroordeling opzij zet. De situatie wijkt daarmee ook af van het beslechte geval in de Roemeense erflater. Vragen over de strafbaarheid van de dader speelden daarin niet.
Het hof moet het bij de beoordeling doen met artikel 4:3 lid 1 sub a BW en vindt dus zijn weg naar een rechtvaardige uitkomst door artikel 8 EVRM toe te passen. Hoewel gediscussieerd kan worden over de vraag of de argumentatie van het hof de conclusie kan dragen, strookt de uitkomst met het rechtsgevoel. Hoewel de casus afwijkt van die van de Roemeense erflater, blijft de conclusie naar aanleiding van die uitspraak staan: aanpassing van de bepaling verdient de voorkeur boven verdragsconforme uitleg. De optie zoals voorgesteld in de vorige paragraaf, inhoudende dat een bewezenverklaring voor het opzettelijk ombrengen van de erflater eveneens onwaardigheid meebrengt, verdient daarmee nog steeds de voorkeur.10