Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.3.5.3.2
13.3.5.3.2 Wettelijke vermoedens en bewijsproblemen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940467:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.3.3.3.2 en voorts paragraaf 10.2.
Anders dan bij de omkering van de bewijslast, is er in die gevallen bovendien geen sprake van een feitelijkvermoeden dat kan worden ontleend aan de trigger voor de omkering (het schenden van een informatieverplichting). Zie voorts paragraaf 9.3.3.3.2 en paragraaf 10.2.
Zie paragraaf 9.3.3.3.2 onder ‘Negatieve heffingscomponenten en tegenbewijs tegen wetsficties’.
Zie paragraaf 9.3.3.3.2 onder ‘Positieve heffingscomponenten: wetsficties’.
Zie paragraaf 13.3.5.2.
Dit aspect speelt ook bij de vergrijpboete van art. 10a AWR in verbinding met art. 8 UBLB. Het beboetbare feit is het niet tijdig, dat wil zeggen voordat er meer dan 500 kilometer privé mee wordt gereden, verzoeken om intrekking van de verklaring geen privégebruik auto. Naar mijn mening is het privégebruik hier een onderdeel van de (volledige) delictsomschrijving, dat de inspecteur (dus) ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen (zie over de getrapte delictsomschrijving van de vergrijpboete van art. 10a AWR nader paragraaf 6.2.10).
In paragraaf 13.3.5.3.1 ging het om het gebruik van feitelijke vermoedens als bewijsmiddel. In de sfeer van de heffing komen echter ook wettelijke vermoedens voor, zoals de zesmaandenfictie in de loonbelasting. Naar mijn mening kan het bewijs van het begaan van het beboetbare feit niet louter geleverd worden aan de hand van wettelijke vermoedens die doorwerken vanuit de sfeer van de heffing. De reden daarvan is niet primair gelegen in een verschil in bewijsgradatie, maar in de bewijslastverdeling zoals die op grond van de onschuldpresumptie in de sfeer van de boete voor het bewijs van de centrale stellingen geldt.
Eerder merkte ik in dit verband op, dat de inspecteur in alle gevallen waarin hij het kale beboetbare feit in de sfeer van de heffing niet volgens de reguliere regels heeft hoeven te bewijzen, louter voor de boeteoplegging aanvullend bewijs zal moeten leveren.1 Dat geldt dus niet alleen wanneer de inspecteur de aanwezigheid van positieve heffingscomponenten slechts aannemelijk heeft gemaakt en bij wettelijke vermoedens, maar ook wanneer de belastingplichtige ten aanzien van door hem te bewijzen negatieve heffingscomponenten in bewijsnood is.2 Het enkele feit dat de belastingplichtige niet kan bewijzen dat een aftrekpost terecht is opgevoerd, betekent immers nog niet dat de inspecteur heeft bewezen dat die aftrekpost ten onrechte is opgevoerd (dat laatste is nodig voor het bewijs van het begaan van het beboetbare feit).3 Het in dergelijke gevallen in de sfeer van de boete te leveren (aanvullende) bewijs zal moeten voldoen aan de zware bewijsgradatie van ‘beyond reasonable doubt’.
Met betrekking tot de bijtelling voor de auto van de zaak treedt in dit verband nog een extra complicatie op, omdat het wettelijk vermoeden tevens een verzwaarde tegenbewijslast omvat (‘tenzij blijkt’). Die verzwaarde tegenbewijslast kan naar mijn mening niet doorwerken naar de boete. Het uitgangspunt is immers, dat de inspecteur in de sfeer van de boete voldoende overtuigend (aanvullend) bewijs heeft geleverd van (ten minste enig) privégebruik.4 Als hij dat heeft gedaan, zijn de bezwaren die op grond van de onschuldpresumptie bestaan tegen de doorwerking van het wettelijke vermoeden weggenomen. Voor het leveren van tegenbewijs is het vervolgens in de sfeer van de boete al voldoende om redelijke twijfel te zaaien (daarmee kan de boeteling immers de gradatie van ‘beyond reasonable doubt’ pareren).5 Dit alles kan er dus toe leiden dat wanneer de belasting- of inhoudingsplichtige wel aannemelijk kan maken, maar niet kan doen blijken dat de ter beschikking gestelde auto voor maximaal 500 kilometer privé is gebruikt, wél heffing plaatsvindt, maar geen boete kan worden opgelegd.6