Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.2.7.3
II.2.7.3 Dolus
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460171:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie verder over opzet o.a. De Hullu 2018, par. IV.2, IV.3 en IV.4 en De Jong & Sikkema 2019, par. 3; De Jong 2019.
De Hullu 2018, p. 230-231; Postma 2014, par. I.6.2.
De Hullu 2018, par. IV.2.5. Het voorbeeld is gebaseerd op het HR 19 augustus 1952, ECLI:NL:HR:1952:138, NJ 1953/102, m.nt. Pompe (Oldsmobile).
Dit voorbeeld is gebaseerd op Rb. Midden-Nederland 25 februari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5273.
HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Buruma (HIV I), r.o. 3.6.
Rb. Oost-Brabant 16 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5111.
Er bestaan ook andere weergaven van voorwaardelijk opzet. Zo onderscheidt De Hullu twee componenten: 1) het bewust aanvaarden van een 2) aanmerkelijke kans. De Hullu 2018, p. 238. Cf. De Jong 2019, waarin hij overtuigend beargumenteert waarom opzet inhoudelijk wordt gekenmerkt door zowel een cognitieve als een volitieve component (waarbij in voorwaardelijk opzet de volitieve component weliswaar sterk ‘verwaterd’ is). Daaruit volgt dat ook bij voorwaardelijk opzet het van belang is om de bewustheid van een kans en het aanvaarden van de aanmerkelijke kans aan te merken als zelfstandige componenten. Zie voorts Kelk/De Jong 2016, par. 6.4.6.
HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552, m.nt. Buruma (HIV I).
De Hullu 2018, p. 240.
De Hullu 2018, p. 232-235, met verdere verwijzingen. Zie ook De Jong & Sikkema 2019, p. 487-488. Merk op, de objectivering komt niet in de plaats voor bewijs met betrekking tot de geestesgesteldheid van de dader in het concrete geval. Er zal dus goed gekeken dienen te worden naar contra-indicaties.
Zie in dit verband de klassieker Coffee Jr. 1981. Te raadplegen op: https://scholarship.law.columbia.edu/faculty_scholarship/539.
Zie uitgebreid De Hullu 2018, par. IV.6; en Roef & De Roos 1998, p. 78.
HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375, m.nt. Wolswijk (Overzichtsarrest feitelijk leidinggeven), r.o. 3.4.2; De Hullu 2018 p. 283-284; De Valk 2009, p. 333-336.
HR 27 februari 1951, ECLI:NL:HR:1951:11, NJ 1951, 4/4 m.nt. Röling (ATO); Rb. Breda 15 februari 1982, ECLI:NL:RBBRE:1982:AC4013, NJ 1983/6 (Uniser), r.o. 8.2.1.3.
Sikkema 2010, par. 3.8. Vergelijkbaar: Torringa 1984, p. 99-100.
HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8977, NJ 2009/130, m.nt. Buruma; NBStraf 2008/206 (Fraude Gemeente Etten-Leur); HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375, m.nt. Wolswijk (Overzichstarrest feitelijk leidinggeven), r.o. 3.4.2; HR 14 februari 2017: ECLI:NL:HR:2017:240; De Hullu 2018, p. 284-286.
MvT bij het Wetboek van Strafrecht, aangehaald in Smidt/Smidt 1891, p. 71, gevonden in Hartmann & Kroes 2016, p. 155. Zie voorts De Hullu 2018, p. 222 met verdere verwijzingen.
Zie voor andere uitzonderingen Kessler 2001, p. 153-155. Uitvoerig over geobjectiveerde bestanddelen: Kelk/De Jong 2016, p. 254.
Hendriks 2013; De Hullu 2018, par. IV.2.3 met verdere verwijzingen.
Hartmann & Kroes 2016, par. 5.
Zie Schönke/Schröder/Sternberg-Lieben/Schuster, 30. Aufl. 2019, StGB § 17 Rn. 4-9, met verdere verwijzingen.
De Hullu 2018, p. 226; De Jong & Sikkema 2011, p. 401. Meestal wordt in dit verband gewezen op HR 18 maart 1952, ECLI:NL:HR:1952:1, NJ 1952/314, m.nt. Röling (Kleurloos opzet); waarover ook Kessler 2001, p. 143-148 en 201-209; en Kroes 2007, p. 316-331. Deze lijn werd bekrachtigd in HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783 (concl. A-G Vellinga), NJ 2007/544, m.nt. Buruma.
Zie ook de annotatie bij HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783 (concl. A-G Vellinga), NJ 2007/544, m.nt. Buruma.
Overigens is het zeer de vraag of een dergelijk delict tot strafrechtelijke aansprakelijkheid zal leiden; veruit de meeste overtredingen van milieuvoorschriften worden afgedaan met een waarschuwing; slechts een zeer klein deel van de (vaak: ernstige) bedrijfsmatige milieudelicten wordt strafrechtelijk vervolgd. Zie par. I.3.2 met verdere verwijzingen naar onderzoeken over bedrijfsmatige milieucriminaliteit.
Zie o.a. Kroes 2007, nr. 4, p. 316-331; Hartmann & Kroes 2016, par. 6; Van Asperen de Boer 2018, par. 12.6.3. en De Hullu 2018, p. 228 met verdere verwijzingen. Zie recentelijk Doorenbos 2021. In de rechtspraak wordt deze vraag op uiteenlopende wijze beantwoord. Zie voor een overzicht Hendriks 2013.
In zijn noot bij HR 18 maart 1952, ECLI:NL:HR:1952:199, ECLI:NL:HR:1952:1, NJ 1952/314 en NJ 1952/315.
Parket bij de Hoge Raad 24 april 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8783. De conclusie van Vellinga mag in de literatuur echter wel rekenen op waardering, zie bijvoorbeeld Hendriks 2013, p. 286, 297 en De Jong & Sikkema 2011, p. 396 e.v.
HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783 (concl. A-G Vellinga), NJ 2007/544, m.nt. Buruma, r.o. 3.3. Conclusie HR 24 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783.
De Hullu 2018, p. 227. Wat betreft het tweede argument, vergelijkbaar De Jong & Sikkema 2011, p. 388-401; zie ook Kessler 2001, p. 97-172.
Subjecten die ondanks ingewonnen informatie alsnog onwetend blijven over het verboden karakter van een gedraging, komt mogelijk nog wel een beroep toe op afwezigheid van alle schuld op grond van verschoonbare rechtsdwaling, mits de inlichtingen werden verstrekt door een persoon of instantie, aan wie zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Zie hierboven par. II.2.4.
Zie onder meer Rb. Rotterdam 15 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:3646; Rb. Oost-Brabant 28 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2548, M&R 2018/89, m.nt. Velthuis; Hof ’s-Hertogenbosch 8 februari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BP3516; Rb. Rotterdam 7 november 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU4356; Rb. Den Haag 18 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8694; Rb. Midden-Nederland 19 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:2795 (Bedrijfsleider CAV Agrotheek); Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7785 (Directeur De Zeelt); Rb. Zeeland-West-Brabant 21 maart 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:1911, M&R 2014/86 (Dow Benelux BV); Rb. Overijssel 13 mei 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1794; Rb. Overijssel 25 november 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4372.
De Hullu 2018, p. 227-228.
Meer hierover, zie Hendriks 2013; De Jong & Sikkema 2019, par. 3.
Artikel 10.50 Wm, het opzettelijk begaan volgt uit artikel 2 lid 1 juncto 1a sub 1 WED.
Hendriks 2013, p. 291-292. Vergelijkbaar; HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1873, NJ 2012/31.
HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2684 (DAF showroom); Zie ook Kessler 2001, p. 148-149. HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2012:BC6731. Een goed voorbeeld uit het milieustrafrecht: Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7785 (Directeur De Zeelt) “Voor zover nog is betoogd dat de verdachte geen opzet had op het overtreden van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geldt dat de verdachte wist dat hij geen vergunning had. Opzet op de wederrechtelijkheid is niet vereist”; vergelijkbaar: Rb. Limburg 22 november 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:11471 (Directeur Edelchemie).
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 18 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1636, met betrekking tot het onder 5 primair ten laste gelegde opzet.
HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3121, NJ 2003/553, m.n. r.o. 3.5.
De grondslag voor het verbod was artikel een voorschrift krachtens 1 lid 3 Wvo (oud), dat kennelijk als voorwaarde stelde dat er sprake moest zijn van verontreinigde stof.
HR 1 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3121, NJ 2003/553, m.n. r.o. 4.3 Zie ook HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1873, NJ 2012/31. Vergelijkbaar, met betrekking tot het verwijderen van afvalstoffen 10.1 lid 2 Wm: Rb. Overijssel 26 oktober 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:5790 en Rb. Overijssel 26 oktober 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:5791.
HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:782 (concl. A-G Vegter), M&R 2018/98, m.nt. Van Ham, r.o. 2.4. A-G Vegter merkt op dat het opzet ‘enigszins gekleurd’ door deze omstandigheid. PHR 30 mei 2018, ECLI:NL:PHR:2018:506, nr. 12.
Zie de conclusie van A-G Machielse bij HR 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2493, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2493, m.n. nr. 4.2 met verwijzing naar Kamerstukken II 1993/94, 23470, nr. 3, p. 3, 23-24, 57.
Hartmann & Kroes 2016, par. 6, onder verwijzing naar Kessler 2001, p. 152. Zie expliciet HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9412; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:24 (concl. A-G Harteveld), AB 2014/339, m.nt. Stijnen.
Conclusie A-G Harteveld, PHR 29 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:2085, overweging 6.8.
Hendriks 2013, p. 295-296.
Aldus ook Blomberg & Koopmans 2015, p. 77.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 3 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BT6701.
Rb. Gelderland 12 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6196. Aldus ook Tubbing 2012, onder HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8791, M&R 2012/113, nr. 5.
Hoge Raad in HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:24 (concl. A-G Harteveld), AB 2014/339, m.nt. R. Stijnen.
Rb.Groningen2002,ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3857 (Ex-directeurESD),ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3848 (directeur ESD), en ECLI:NL:RBGRO:2002:AE3855 (ESD).
Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH9850. Overigens zou ik menen dat de verdachte uit deze casus zelf ook (een deel van) de inrichting drijft, en zodoende als drijver op de hoogte moet zijn van de vergunningsvoorschriften. Een vergelijkbare zaak: Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR7046 (Opdrachtnemer De Zeelt), waarin de opdrachtnemer niet op de hoogte had hoeven zijn van de vergunningsplichtigheid van de bezigheden, en diens bijdrage van onvoldoende gewicht was voor medeplegen.
Een geslaagd beroep op verschoonbare rechtsdwaling zou de strafbaarheid van de verdachte wel kunnen wegnemen, dit zou echter niet tot vrijspraak maar tot ontslag van alle rechtsvervolging leiden.
Zie par. III.2.
HR 8 april 2014, ECLINL:HR:2014:851. In deze uitspraak liep de aansprakelijkheid dus niet vast op het ontbreken van opzet op de onrechtmatigheid, maar op een bewijsgebrek ten aanzien van opzet op de verboden gedraging zelf.
Opzet als bestanddeel
In het algemene strafrecht is opzet (dolus) het meestvoorkomende subjectieve bestanddeel. Er is sprake van opzet wanneer iemand een verboden gedraging willens en wetens begaat.1 De meest zuivere vorm van opzet is ‘opzet met bedoeling’. Dat houdt in dat de dader zowel de gedraging zelf en de gevolgen zoals ze zijn voorgevallen heeft voorzien en gewild. In het milieustrafrecht kan hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan het opzettelijk overbemesten van de bodem.
Het opzet dat nodig is voor doleuze delicten mag echter ook een algemenere strekking hebben. Bijvoorbeeld wanneer de dader volkomen onverschillig was met betrekking tot het strafbare feit, of als zaken anders verlopen dan aanvankelijk bedoeld.2 Zo wordt onder het opzet tot een bepaald delict ook opzet op soortgelijke, minder vergaande delicten gerekend. Als een persoon bijvoorbeeld opzet heeft op het plegen van een moord, en het slachtoffer overlijdt niet maar houdt wel ernstig letsel aan de poging over, dan wordt het opzet ook geacht aanwezig te zijn op mishandeling.3
Ook voldoende voor opzet is dat de dader een vaststaand gevolg van diens handelen niet wenst maar wel op de koop toeneemt; er wordt dan gesproken van zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een bedrijf afvalstoffen loost op oppervlaktewater; het kan best zijn dat de persoon in kwestie het water niet wenst te vervuilen, maar desalniettemin de milieuvervuiling op de koop toe neemt om kosten te besparen voor het afvoeren en laten verwerken van de afvalstoffen.
De ondergrens van opzet als bestanddeel, en daarmee ook de grens tussen opzettelijk en niet-opzettelijk gedrag, is het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg. Deze vorm van opzet staat bekend als ‘voorwaardelijk opzet’. Belangrijk in dit kader is dat de bewuste aanvaarding niet hoeft te zien op het gevolg zelf, maar op de kans op een gevolg; daardoor worden meer omstandigheden door het opzet bestreken. Bijvoorbeeld, een toezichthouder die verantwoordelijk is voor het correct verwijderen van asbest, maar die – zich bewust van de risico’s – vervolgens tijdens het verwijderen van asbest geen toezicht houdt in de overtuiging dat áls er asbest aanwezig is er toch niemand achter komt, aanvaardt welbewust de aanmerkelijke kans dat het asbest niet correct verwijderd wordt en dat er asbestvezels in de lucht komen. In dit voorbeeld heeft de dader het gevolg (het verspreiden van asbest) zelf niet gewild, maar bij diens handelen heeft hij de kans op dit gevolg wel aanvaard, waardoor het gevolg in beginsel ook gedekt wordt door het opzet van de dader.4 De kans moet objectief gezien aanmerkelijk zijn, dus de inschatting van de verdachte is niet bepalend. Hierbij kan de rechter zich baseren op algemene ervaringsregels.5
Een ander milieustrafrechtelijk voorbeeld waarin het voorwaardelijke opzet van een leidinggevende kon worden gebaseerd op een gebrek aan controle op de bedrijfsvoering, kan worden gevonden in de zaak van de Rechtbank Oost-Brabant van 16 september 2013. In deze zaak wordt een directeur van een varkenshouderij aansprakelijk gesteld voor het verontreinigen van oppervlaktewater, en voor een aantal andere milieudelicten.6 Het slootwater ter plaatse was verzilt doordat er varkensvoer (natte brij) in terecht was gekomen. De directeur wijt het morsen van varkensvoer aan de slordigheid van zijn ondergeschikten; de vrachtwagenchauffeurs zouden ’s nachts buiten zijn aanwezigheid op onzorgvuldige wijze het brijvoer lossen en vervolgens nalaten het door hen geknoeide voer op te ruimen. De verdediging bepleit dat het opzet van de directeur ontbreekt. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt:
“Op verdachte rust als vergunninghouder de plicht zijn bedrijfsvoering op zodanige wijze te organiseren dat de aan zijn omgevingsvergunning verbonden voorschriften worden nageleefd. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij geen, dan wel onvoldoende controle heeft uitgeoefend op en bij het lossen van het brijvoer, terwijl hij wist dat daarbij regelmatig voer op de bodem werd geknoeid. Door deze handelwijze heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de kavelsloot naast het perceel [adres 1] te [plaats 1], door het bij het lossen gemorste brijvoer, zou kunnen worden verontreinigd.” Het opzet kon dus worden aangenomen omdat de directeur op de hoogte was van eerdere voorvallen van de verboden gedraging en onvoldoende controle op de naleving van de vergunningsvoorschriften heeft uitgeoefend.
Bij de toets van voorwaardelijk opzet pleegt men drie componenten te onderscheiden: een kanscomponent (‘de aanmerkelijke kans’), een kenniscomponent (‘bewust’) en een wilscomponent (‘aanvaarden’).7 Een gebrek aan het één kan niet worden gecompenseerd door een overvloed van het ander. Dus het welbewust aanvaarden van een verwaarloosbare kans op een gevolg is niet voldoende voor voorwaardelijk opzet op het gevolg. Net zo is het bestaan van een aanzienlijke kans op een gevolg op zichzelf onvoldoende voor voorwaardelijk opzet; iemand die er lichtzinnig van uitgaat dat dit gevolg zou uitblijven heeft weliswaar met (grove) onachtzaamheid gehandeld, maar heeft het gevolg niet aanvaard. De aanwezigheid van zogeheten ‘mogelijkheidsbewustzijn’ bij de dader is dan ook onvoldoende voor de conclusie dat de verdachte het gevolg heeft aanvaard.8
De wilscomponent is wat voorwaardelijk opzet onderscheidt van bewuste schuld, en daarom dient juist deze component van voorwaardelijk opzet goed te worden bewaakt.9 Om te bepalen of er sprake is van aanvaarding, dient te worden gelet op de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder zij is verricht. Ook moet acht worden geslagen op contra-indicaties. Kan het zijn dat de gedraging per ongeluk is verricht? Had de verdachte maatregelen genomen om het gevolg te voorkomen? Is er ‘slechts’ sprake van schending van een zorgplicht?
De Hullu plaatst in het kader van opzet de kanttekening dat de rechter zich beperkt bezighoudt met wat de verdachte nou werkelijk gedacht en gewild heeft. Rechters kunnen immers niet in het hoofd van de verdachte kijken, en zij zijn ook niet opgeleid als gedragsdeskundigen. Opzet en schuld zijn dan ook niet puur psychologische begrippen, maar veeleer juridische begrippen met een eigen normatief, objectiverend karakter. Schuld en (voorwaardelijk) opzet kunnen op basis van ervaringsregels en de uiterlijke verschijningsvorm van de verboden gedraging worden vastgesteld; de rechter tracht te bepalen wat een ‘normaal mens’ in het gegeven geval moest begrijpen en heeft gewild.10
Opzet en schuld bij een rechtspersoon
Uit het voorgaande blijkt dat opzet en schuld een psychologische dimensie kennen. De rechtspersoon heeft zelf geen psyche,11 daarom hebben opzet en schuld bij rechtspersonen een iets ander karakter dan bij natuurlijke personen.12 In de eerste plaats kan het opzet van de rechtspersoon worden vastgesteld door het opzet van een werknemer aan de rechtspersoon toe te rekenen.13 Deze persoon hoeft niet per se een hoge functionaris te zijn, maar het is natuurlijk wel een sterke indicatie dat de toerekening van opzet of schuld redelijk is.14 Het opzet of de schuld hoeft ook niet gecentreerd te zijn bij één natuurlijke persoon. Het kan ‘bijeengeharkt’ worden van de bij meerdere personen aanwezige kennis, waarbij het totaal aan aanwezige opzet en schuld wordt toegerekend aan de rechtspersoon.15 Maar schuld en opzet kunnen ook rechtstreeks worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.16
Reikwijdte van het opzet
Kleur van het opzet
In de context van dit proefschrift is het belangrijk om stil te staan bij de reikwijdte van het opzet. De eerste vraag die zich aandient is waarop het opzet van de dader precies gericht moet zijn. Algemeen aangenomen wordt dat het opzet in beginsel gericht moet zijn op alle bestanddelen die na vermelding van het opzetvereiste in de delictsomschrijving zijn genoemd.17 Een uitzondering hierop zijn bestanddelen die geobjectiveerd zijn, dus bestanddelen die door de wetgever zijn onttrokken aan het opzetvereiste. Denk hierbij aan mishandeling met de dood tot gevolg, waarbij het opzet wel moet zijn gericht op de mishandeling, maar niet op de dodelijke afloop.18 Een milieurechtelijk voorbeeld kan worden gevonden in artikel 173a Sr: het ‘gevaar voor de openbare gezondheid’ en het ‘levensgevaar voor een ander’ vormen geobjectiveerde bestanddelen in de delictsomschrijving. Voldoende is dat het gevaar naar objectieve maatstaven te duchten is.19
Een kwestie die veel discussie heeft opgeleverd, betreft de vraag of het opzet van de dader ook moet zijn gericht op de wederrechtelijkheid van de gedraging.20 In dit verband wordt gesproken van de ‘kleur van het opzet’, en wordt er onderscheid gemaakt tussen ‘kleurloos opzet’ en ‘boos opzet’. Bij kleurloos opzet blijft het opzet beperkt tot de bestanddelen van het delict. Het gaat hierbij in wezen om de vraag of de dader opzettelijk heeft gehandeld (of nagelaten) zoals in de strafbepaling verwoord. Bij boos opzet is het opzet van de dader niet alleen gericht op de bestanddelen van het delict, maar ook op het wederrechtelijke karakter van de handeling. Makkelijker gezegd: de dader wist dat de gedraging verboden was.21 In Duitsland wordt dit treffend ‘Unrechtsbewusstsein’ genoemd.22
De hoofdregel, ook in het milieustrafrecht, is dat kleurloos opzet voldoende is om te worden aangemerkt als dader van doleuze delicten, tenzij de wetgever in de delictsomschrijving op één of andere manier te kennen geeft dat opzet op de wederrechtelijkheid wél is vereist.23 Als dit anders zou zijn, dus indien boos opzet in plaats van kleurloos opzet zou zijn vereist, zou de onwetendheid van de verdachte diens strafbaarheid in de weg kunnen staan. In Nederland geldt echter het uitgangspunt dat men wordt geacht de wet te kennen; nemo ius ignorare censetur. Zeker van professionele spelers mag worden verwacht dat ze zich laten informeren omtrent de regelgeving. Bovendien wordt gemeend dat iemand die de regels overtreedt zonder te weten dat wat hij deed verboden was even strafbaar hoort te zijn als degene die dat wel wist.24
Overigens zal er in veel gevallen ook sprake zijn van boos opzet; van het overgrote deel van de delicten zal de verdachte immers wel moeten begrijpen dat de gedraging strafbaar is, waardoor opzet op de delictsbestanddelen ook boos opzet impliceert. Je hoeft geen rechten gestudeerd te hebben om te weten dat moord, heling, inbraak of – in het kader van dit proefschrift – milieuvervuiling ongeoorloofd is. Daarbij past wel de kanttekening dat niet van ieder economische (milieu)delict het strafbare karakter zo evident is. De niet-naleving van vergunningsvoorschriften kan bijvoorbeeld een strafbaar feit opleveren, en sommige vergunningsvoorschriften hebben een technisch en genuanceerd karakter. Gevolg is dat zelfs het laten installeren van het verkeerde type emissiefilters al strafbaar kan zijn.25
Boos opzet nodig voor economische delicten?
In de literatuur is de vraag opgeworpen of boos opzet dan wél is vereist in het economische strafrecht (waar het milieustrafrecht ook grotendeels toe behoort).26 Vanwege de grote hoeveelheid regels en de ingewikkeldheid van WED-delicten zou de dader vaak niet weten (en volgens critici, ook niet hoeven te weten) dat de gedraging in kwestie verboden was. Bovendien zou het onderscheid tussen overtredingen en misdrijven in veel economische delicten zinloos worden, omdat de gedragingen in de regel per definitie opzettelijk gebeuren. In de literatuur wordt in dit verband vaak Röling geciteerd, die schreef ‘men blikt nu eenmaal geen boontjes in uit nonchalance’.27 Deze en andere argumenten hebben A-G Vellinga ertoe bewogen om in zijn conclusie bij HR 24 april 2007 een lans te breken voor de invoering van een vorm van boos opzet in het economische strafrecht, waarbij voorwaardelijk opzet op het wederrechtelijke karakter van de gedraging zou voldoen.28
De Hoge Raad wil van boos opzet echter niets weten, en bepaalt dat niet alleen in het commune, maar ook in het economische strafrecht kleurloos opzet voldoet.29 De Hullu kan zich vinden in deze lijn; hij betwijfelt of het wenselijk is om het economisch strafrecht anders te behandelen dan het commune strafrecht,30 en ziet de toename in regels en de complexiteit daarvan als reden te meer dat rechtssubjecten zich goed dienen te verdiepen in de regelgeving.31 In de milieustrafrechtelijke jurisprudentie die is bestudeerd voor dit proefschrift, wordt bevestigd dat kleurloos opzet voldoet bij milieudelicten.32 De onbewustheid van het wederrechtelijke karakter van de handeling kan door de rechter nog wel worden meegenomen in de strafmaat.
Opzet op facetten van de wederrechtelijkheid
Tegelijkertijd wordt in de literatuur erop gewezen dat bij bepaalde delicten het opzet in ieder geval moet zijn gericht op – in de woorden van De Hullu – ‘facetten van de wederrechtelijkheid’.33 Immers dient zoals gezegd het (kleurloze) opzet in beginsel te zijn gericht op álle bestanddelen van het delict. Dat betekent dat als in een delictsomschrijving naast een bepaalde gedraging ook bijkomende omstandigheden zijn opgenomen het opzet, niet beperkt mag zijn tot het verrichten van de feitelijke gedraging.34
Een voorbeeld dat Hendriks geeft in dit verband is het verbod om, kort gezegd, afvalstoffen over te brengen naar een inrichting die voor de opslag geen vergunning heeft.35 Het is dus onvoldoende dat de verdachte opzettelijk afvalstoffen overbrengt, deze moet ook (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op de afwezigheid van een vergunning van de inrichting.36 Iets vergelijkbaars geldt voor het opzettelijk drijven van een vergunningplichtige inrichting zonder vergunning; de drijver hoeft dus niet te weten dat de activiteit vergunningplichtig is, maar slechts dat hij niet in het bezit is van een vergunning.37 Als de vergunningplichtige mocht geloven dat hij wel beschikte over een vergunning, bijvoorbeeld omdat was overeengekomen dat de verhuurder van het perceel dit geregeld heeft,38 dan ontbreekt opzet op dat onderdeel van de delictsomschrijving en volgt vrijspraak.
Een goed voorbeeld uit het milieustrafrecht kan worden gevonden in een uitspraak van de Hoge Raad uit 2004, over het storten van (kennelijk verontreinigde) baggerspecie.39 De verdachte werd vrijgesproken van de overtreding van het verbod om opzettelijk verontreinigde stoffen te brengen in oppervlaktewateren.40 De verdachte had weliswaar opzet op het storten van baggerspecie, maar hij wist niet dat de baggerspecie verontreinigd was, en daarom had hij geen opzet op het storten van verontreinigde stoffen. Het was echter wél mogelijk om de verdachte aan te spreken voor de overtreding van artikel 10.2 Wm (oud); het verbod zich van afvalstoffen te ontdoen buiten een inrichting. De verdachte moest wel begrijpen dat de baggerspecie kon worden aangemerkt als afvalstof, en de delictsomschrijving stelt geen eisen met betrekking tot de verontreinigde aard van de afvalstof, en daarom was de gedraging van de verdachte wel strafbaar op grond van artikel 10.2 Wm.41
Nog een voorbeeld uit het milieustrafrecht betreft een zaak over een man met een groot aantal beschermde inheemse vogels. Dit is in strijd met artikel 13 lid 1 sub a Flora- en Faunawet, dat kort gezegd bepaalt dat het verboden is om dieren behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort onder zich te hebben. Opzet op het houden van vogels is niet voldoende, er moet ook sprake zijn van opzet op het houden van ‘beschermde vogels’. Maar niet vereist is dat de verdachte wist dat het houden van beschermde vogels verboden is.42
In de voorbeelden is het benodigde opzet telkens kleurloos. Let wel, zoals gezegd bestaan er uitzonderingen op de regel dat het opzet gericht moet zijn op álle bestanddelen. Dit zal per delict beoordeeld moeten worden.
Zo heeft de wetgever bij AWR-delicten expliciet beoogd te voorkomen dat het opzet van de dader gericht zou moeten zijn op het – als bestanddeel genoemde – criterium dat “het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”. In plaats daarvan is bewust de nadruk gelegd op de gerichtheid van het gedrag.43
Belangrijk in het kader van dit proefschrift is dat het opzet op het overtreden van vergunningsvoorschriften vanwege de formulering van bepaalde delicten enigszins gekleurd lijkt te zijn. Artikel 2 lid 1 juncto 1a sub 1 WED bepaalt namelijk dat het overtreden van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2.3 sub a Wabo of 18.18 Wm, opzettelijk begaan, een misdrijf betreft. Kort gezegd bepalen deze artikelen dat het verboden is om in strijd te handelen met een vergunningsvoorschrift. Gelet op de formulering van het verbod, en met inachtneming van de regel dat het opzet moet zijn gericht op álle bestanddelen, moet het opzet ook zijn gericht op de bijkomende omstandigheid dat met een handeling een vergunningsvoorschrift wordt overtreden.44 Dit brengt met zich, zoals A-G Harteveld opmerkt in een conclusie, dat er ‘(iets) meer nodig is dan de enkele vaststelling dat de gedragingen zelf opzettelijk worden verricht’.45 Hendriks merkt op dat het strikt genomen nog altijd gaat om kleurloos opzet, want niet vereist (maar waarschijnlijk wel altijd het geval) is dat de dader wéét dat het overtreden van vergunningsvoorschriften verboden is.46
Hoe dan ook, bij vergunningsvoorschriften is het onderscheid tussen boos en kleurloos opzet lastig te maken, en zodoende krijgt het opzet op het overtreden van vergunningsvoorschriften een iets andere kleur dan dat van andere (economische) delicten.47 Mijns inziens hoeft dit evenwel voor situaties waarin er in strijd wordt gehandeld met vergunningsvoorschriften (artikel 2 lid 1 WED juncto 1a sub 1 WED juncto 2.3 Wabo of 18.18 Wm) geen grote obstakels op te leveren bij het aanspreken van de vergunninghouder. Van de vergunninghouder/drijver mag als normadressaat immers worden verwacht dat deze bekend is met de voorwaarden die verbonden zijn aan het verrichten van de vergunningplichtige activiteit.48 Wanneer de vergunninghouder bewust geen kennisneemt van de inhoud van de vergunning, dan heeft de vergunninghouder mijns inziens bij het schenden daarvan in beginsel voorwaardelijk opzet op de strijdigheid van de handeling met de vergunning.49
Niettemin oordeelde de Hoge Raad in HR 7 januari 2014 dat er onvoldoende was gesteld omtrent het (voorwaardelijk) opzet van de vergunninghouder op het overtreden van die vergunningsvoorschriften. Het opzet van de vergunninghouder op facetten van de wederrechtelijkheid is dus geen automatisme. Helaas heeft de Hoge Raad hieromtrent verder niets overwogen; mogelijk omdat vrijspraak reeds kon worden gebaseerd op een gebrek aan bewijs voor het opzet op de deelnemingshandeling.50
Naar mijn idee zal de vergunninghouder zich slechts in uitzonderlijke gevallen bij een overtreding van een vergunningsvoorschrift kunnen beroepen op de afwezigheid van kennis omtrent de strijdigheid van zijn handeling met de vergunning, bijvoorbeeld indien de voorschriften zeer onduidelijk of multi-interpretabel zijn. Mogelijk zouden ook toezeggingen van het bevoegd gezag wat betreft de uitleg of handhaving van voorschriften onder omstandigheden het opzet op het schenden van de vergunningsvoorschriften kunnen wegnemen, al zal dat ook niet snel het geval zijn. Zoals ook de Rechtbank Groningen benadrukt in de ESD-uitspraken met betrekking tot de emissienormen:51
“Allereerst merkt de rechtbank op dat ESD, althans de verantwoordelijke personen binnen ESD, een eigen verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van de naleving van de vergunningsvoorschriften die losstaat van de houding van het bevoegd gezag. De vergunningsvoorschriften met betrekking tot de toegestane emissie zijn helder en duidelijk en uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verantwoordelijke personen binnen ESD hiervan op de hoogte waren. Ondanks dat de emissienorm die in de vergunning was voorgeschreven niet werd gehaald, is men toch doorgegaan met produceren. Aldus heeft ESD willens en wetens gehandeld in strijd met de vergunningsvoorschriften.”
Ook als de emissienorm niet bekend is bij de vergunninghouder, kan voorwaardelijk opzet worden vastgesteld, zoals de rechtbank in dezelfde uitspraak overwoog met betrekking tot de voorschriften voor de proefoven:
“(..) Uit de bewijsmiddelen blijkt dat niet alle verantwoordelijke personen binnen ESD van het vergunningsvoorschrift met betrekking tot de proefoven op de hoogte waren. De rechtbank is echter van oordeel dat zij hier wel van op de hoogte hadden kunnen zijn en dat zij hiervan ook op de hoogte hadden behoren te zijn. Door zich niet op de hoogte te stellen van de vergunningsvoorschriften en wel af en toe gebruik te maken van de proefoven – terwijl deze in strijd met de vergunning niet was aangesloten op de ontzwavelingsinstallatie – heeft men op z’n minst willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat een vergunningsvoorschrift zou worden overtreden.”
Van de vergunninghouder zal kennis omtrent de strijdigheid met een vergunningsvoorschrift van een bepaalde handeling dus snel aannemelijk zijn, omdat hij als normadressaat op de hoogte moet zijn van de inhoud van de vergunning. Het als vergunninghouder niet-kennisnemen van de inhoud van een vergunning kan voorwaardelijk opzet opleveren op het in strijd handelen met die vergunning.
In lijn met de voorgaande gedachte zou van niet-vergunninghouders die als deelnemer worden aangesproken wellicht meer nodig zijn om te bewijzen dat zij (voorwaardelijk) opzettelijk een vergunningsvoorschrift overtreden. Als niet-normadressaat kan niet zonder meer van hen worden verwacht dat ze de inhoud van de vergunning kennen.
Zo werd in een uitspraak van het Hof Den Bosch een loonwerker/huurder die in opdracht van de vergunninghouder in strijd handelde met vergunningsvoorschriften vrijgesproken, omdat deze niet op de hoogte had hoeven te zijn van de voorschriften.52
Zo bezien is de vraag naar wie kan worden aangemerkt als vergunninghouder van een inrichting, dus niet alleen relevant voor het vaststellen of iemand die wordt aangesproken als pleger het kwalitatieve bestanddeel vervult; het speelt ook bij zowel plegers als deelnemers een rol bij de beoordeling of de verdachte opzet had op de strijdigheid van een verboden handeling met een vergunningsvoorschrift.
Slotsom
Zowel in het algemene als in het economische strafrecht wordt géén boos opzet vereist; kleurloos opzet voldoet. Echter, doordat het opzet van de dader in beginsel moet zijn gericht op alle bestanddelen van het delict, en omdat de delictsomschrijving soms bijkomende omstandigheden bevat die hinten op de wederrechtelijkheid van een gedraging, is soms tóch opzet vereist op bepaalde facetten van de wederrechtelijkheid. Indien de verdachte bijvoorbeeld onbewust zonder vergunning heeft gehandeld, leidt dit – omdat opzet op het ontbreken van de vergunning mist – tot vrijspraak. Als het ‘handelen zonder vergunning’ geen objectief bestanddeel was geweest, zou een dergelijke onbewustheid het daderschap van de verdachte niet in de weg staan.53
Een belangrijke kanttekening voor milieudelicten: het vereiste van opzet op alle bestanddelen van het delict (in de context van vergunningen) geldt ingevolge de schakelbepaling artikel 2 lid 1 WED voor de aanwijzing van misdrijven. Dat betekent dat er géén opzet op alle bestanddelen nodig is wanneer iemand wordt aangesproken voor de overtredingsvariant van milieudelicten.
Vooruitlopend op hoofdstuk III, merk ik hier vast op dat opzet niet geldt als constitutief vereiste bij de bestuursrechtelijke handhaving van vergunningsvoorschriften en andere bestuursrechtelijke normen. Voor het opleggen van een herstelsanctie aan een overtreder is géén verwijtbaarheid nodig, laat staan opzet op alle delictsbestanddelen (en dus ook geen opzet op facetten van de wederrechtelijkheid).54
Bedenk ten slotte dat het enkele bewijzen dat de verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de wederrechtelijkheid van een bepaalde gedraging, niet betekent dat de verdachte ook op de hoogte is geweest van de gedraging zelf. In beginsel moet het opzet immers zien op álle bestanddelen van het delict, dus ook de gedraging zelf. Bewustheid van wederrechtelijkheid komt dus niet in de plaats voor het willens en wetens verrichten van de handeling zelf. Zo blijkt ook uit een uitspraak waarin de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigt, omdat het hof ten onrechte er vanuit ging dat niet was vereist dat de verdachte wist dat er (in strijd met vergunningsvoorschriften) tanks met olie aanwezig waren op zijn inrichting.55