Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.6.7.5
2.6.7.5 Het voegen als belanghebbende
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS390880:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 6 juni 2003, JOR 2003/161 (Scheipar).
Zie bijvoorbeeld: Ondernemingskamer 17 januari 2007, ARO 2007, 21, JOR 2007/42, RO 2007, 27 (Stork); Ondernemingskamer 20 mei 2008, ARO 2008/106, JOR 2008/158, RO 2008/51 (ASMI), Ondernemingskamer 20 mei 2010, ARO 2010/90, JOR 2010/188, RO 2010/59 (Sherpa).
Hoge Raad 30 maart 2007, NJ 2007, 293, JOR 2005/279 (ATR Leasing)
In de zaak KPN Qwest heeft de Ondernemingskamer weliswaar overwogen dat uitbreiding van het onderzoek naar banken in een tegenverzoek niet mogelijk is, maar dit is mijns inziens anders dan een concernenquête die een door de Ondernemingskamer algemeen geaccepteerd fenomeen is. Hoge Raad 17 december 2010, NJ 2011, 213, JOR 2011/42 (KPN Qwest V).
P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 150.
In de eerder aangehaalde zaak ATR-leasing noemt de Hoge Raad overigens niet het vereiste van connexiteit, maar wordt gesproken over ‘verrassingsbeslissingen'. Een uitgebreide beschrijving van de reikwijdte van het connexiteitsvereiste gaat deze dissertatie te buiten. Ik verwijs daarvoor o.m. naar: Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr.780; J. de Bie Leuveling Tjeenk, ‘Formele aspecten enquêterecht naar aanleiding van de ASMI-beschikking van de Hoge Raad’, in: M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten, D.J. Oranje, Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-2012, p. 320-322.
P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 251.
Ondernemingskamer 25 oktober 2002, JOR 2002/217 m.nt. Brink (Laurus).
Hoge Raad 23 maart 2012, NJ 2012, 393, ARO 2012/48, JOR 2012/141 (E-traction).
Ondernemingskamer 17 januari 2007, ARO 2007, 21, JOR 2007/42, RO 2007, 27 (Stork).
Zie voor een mooi overzicht van alle onmiddellijke voorzieningen die kunnen worden verzocht: M. Holtzer, ‘Rechtspraakoverzicht enquêterecht 2000 en 2001 ', in: G. van Solinge, M. Holtzer, Geschriften vanwege de vereniging corporate litigation, Deventer: Kluwer 2002 en Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 772. In de Skygate-zaak besliste de Hoge Raad dat de Ondernemingskamer alle onmiddellijke voorzieningen kan treffen die zij in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek noodzakelijk acht. De omstandigheid dat voorzieningen onomkeerbare gevolgen hebben, staat niet in de weg aan het toekennen van deze voorzieningen, aldus de Hoge Raad, mits de voorziening naar haar aard een tijdelijke is en bij het treffen van een zodanige voorziening voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van, de belangen van betrokken partijen. Hoge Raad 19 oktober 2001, NJ 2002, 92, JOR 2002/5 (Skygate). De Ondernemingskamer kan daarbij een regel van dwingend vennootschapsrecht opzij zetten. Hoge Raad 25 februari 2011, NJ 2011, 335ARO 2011/141, JOR 2011/15 (Marigot)
P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 282.
Zie zijn annotatie bij: Ondernemingskamer 25 oktober 2002, JOR 2002/217 (Laurus).
Op grond van art. 282 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (RV) kan iedere belanghebbende bij een verzoekschriftprocedure een verweerschrift indienen. Dit artikel bepaalt niet wanneer iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt: dit moet worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer speelt bij de vraag of iemand belanghebbende is bij een enquêteverzoek een rol in hoeverre diegene door de uitkomst van de enquêteprocedure zodanig in een eigen belang wordt getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.1 Nu de or bij de uitoefening van zijn bevoegdheden tevens het belang van de onderneming behartigt, zal hij veelal aan deze norm voldoen. Verschillende ondernemingsraden hebben zich ook al als belanghebbende gevoegd in een enquêteprocedure.2
Welke mogelijkheden biedt het voegen als belanghebbende? In de eerste plaats kan de or ervoor zorgen dat zijn visie op het ondernemingsbeleid, eventueel vanuit het perspectief van de werknemers, naar voren wordt gebracht. In de tweede plaats kan het verweerschrift ex art. 282 RV een eigen (tegen)verzoek van de or bevatten. Hierin kunnen belanghebbenden zich ook uitlaten over de aard en de omvang van het onderzoek.3 De or zou in zijn tegenverzoek bijvoorbeeld het sociale beleid van de rechtspersoon aan de orde kunnen stellen of verzoeken het enquêteonderzoek zich ook te laten uitstrekken over een andere concernmaatschappij4 (zie hierover meer in paragraaf 4.5.3).5 Wel moet het tegenverzoek betrekking hebben op het oorspronkelijke verzoek (het zogenoemde connexiteitsvereiste ).6 In de derde plaats krijgt de or inzicht in het verslag wanneer hij zich als belanghebbende voegt.
Een interessante vraag is of de or ook om onmiddellijke of definitieve voorzieningen kan verzoeken. Ten aanzien van de onmiddellijke voorzieningen bepaalt art. 2:345a BW dat de verzoekers van de in art. 2:345 BW bedoelde enquête onmiddellijke voorzieningen kunnen verzoeken. In het algemeen wordt aanvaard dat ook de belanghebbenden ex art. 282 RV een verzoek om voorzieningen kunnen doen, nu zij een zelfstandig (tegen)verzoek doen.7 Brink stelt in zijn noot bij de Laurus-beschikking dat een verzoek om voorlopige voorzieningen door een belanghebbende alleen kan worden toegewezen als de oorspronkelijke verzoekers ook een verzoek om voorlopige voorzieningen hebben ingediend.8 Het verzoek van de belanghebbenden moet in dat geval niet worden beschouwd als een zelfstandig verzoek, maar als een aanpassing van het verzoek van de oorspronkelijke verzoekers. In de praktijk verzoeken belanghebbenden regelmatig (ook zelfstandig) om voorzieningen en wijst de Ondernemingskamer deze ook toe. In 2012 heeft de Hoge Raad in de zaak-E-traction duidelijkheid verschaft. De Hoge Raad heeft het volgende overwogen: “Op de enquêteprocedure zijn de bepalingen van toepassing van de verzoekschriftprocedure van art. 261 e.v. RV. Op grond van art. 282 lid 4 RV kan iedere belanghebbende in die procedure een zelfstandig verzoek indienen, mits dit betrekking heeft op het oorspronkelijke verzoek. Een verzoek om een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a lid 2 of 2:355 lid 3 BW voldoet in beginsel aan deze eis en kan dus ook door andere belanghebbenden worden gedaan dan de indieners van het enquêteverzoek of van het in art. 2:355 lid 1 genoemde verzoek tot het treffen van de in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen. De omstandigheid dat de tekst van de wet alleen de indieners van deze verzoeken noemt bij de mogelijkheid tot het doen van het verzoek om een onmiddellijke voorziening is onvoldoende grond voor een wetsuitleg in andere zin.”9 Een voorbeeld van een door de (C)or verzochte onmiddellijke voorziening is te vinden in de zaak-Stork. De cor verzocht in deze procedure de Ondernemingskamer de aandeelhouders (de verzoekers) te verbieden om het stemrecht ten aanzien van bepaalde besluiten uit te oefenen.10 Andere onmiddellijke voorzieningen waarom de or kan verzoeken zijn bijvoorbeeld schorsing van een bestuurder of de benoeming van een nieuwe bestuurder voor de duur van het geding.11 Anders dan de definitieve voorzieningen zijn de onmiddellijke voorzieningen niet limitatief opgesomd in de wet.
Ten aanzien van de definitieve voorzieningen bepaalt art. 2:357 BW dat op verzoek van de oorspronkelijke verzoekers of – indien het verslag ter inzage heeft gelegen – op verzoek van anderen die aan de vereisten van art. 2:346 en 2:247 BW voldoen de Ondernemingskamer definitieve voorzieningen kan instellen. Een strikte interpretatie van deze bepaling leidt tot de conclusie dat alleen de oorspronkelijke verzoekers en de andere zelfstandig enquêtegerechtigden om definitieve voorzieningen kunnen verzoeken. Naar het oordeel van Geerts kunnen echter ook belanghebbenden een verzoek om definitieve voorzieningen doen. Daarvoor geldt zijns inziens hetzelfde als voor de onmiddellijke voorzieningen.12 Volgens Brink is een belanghebbende niet bevoegd tot het verzoeken van definitieve voorzieningen, nu art. 282 RV niet van toepassing is in de tweede procedure.13 Gezien de verwijzing van de Hoge Raad naar art. 261 RV e.v. in de beschikking inzake E-traction, lijkt mij dit standpunt van Brink terecht. De mogelijkheid definitieve voorzieningen te verzoeken, komt dan ook niet toe aan de or.