Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.2.2:15.2.2 Certificaathouder is geen economisch eigenaar
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.2.2
15.2.2 Certificaathouder is geen economisch eigenaar
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232916:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Waar dat wel het geval is bij de certificaathouder met economische eigendom, aangezien die het volledige economische belang heeft.
Daarnaast rijst de vraag of certificaten met dermate beperkende voorwaarden nog als maatschappelijk aanvaardbaar beschouwd kunnen worden. Naar mijn mening is dit niet het geval, zie nader paragraaf 7.14.3.
Zie nader paragraaf 13.3.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de situatie waarin de certificaathouder geen economisch eigenaar is van het gecertificeerde vermogen, moet voor de belastingheffing worden aangeknoopt bij het certificaat. Het certificaat is dan ook hetgeen gewaardeerd moet worden en de daaraan verbonden beperkende voorwaarden kunnen dan doorwerken in de waardering. Een waardeverschil zoals besproken bij de certificaathouder met economische eigendom doet zich niet voor en derhalve is geen sprake van een knelpunt.
De andere kant op redenerend kan met zich afvragen in hoeverre er een bezwaar tegen kan bestaan dat aldus door het in het leven roepen van certificering de waarde die in de belastingheffing betrokken kan worden afneemt; vanuit een zeker perspectief verdampt er waarde, die weer herleeft op het moment dat de certificering beëindigd wordt. Dit lijkt mij overigens evenmin een bezwaar, als dat sprake is van een knelpunt. De waarde die aan de belastingheffing ten grondslag ligt is weliswaar mogelijk iets lager, maar deze stemt overeen met hetgeen de certificaathouder in economische zin kan realiseren. De (grotere) waarde van het onderliggende vermogen in de heffing betrekken, betekent iets belasten dat, althans vanuit het perspectief van de certificaathouder niet bestaat.1 Rechtshandelingen ter zake van vermogensbestanddelen kunnen overigens in meer situaties tot gevolg hebben dat de totale belaste waarde toe- of afneemt; zo zal een aanmerkelijkbelangpakket van 100% een hogere waarde kunnen hebben dan tien pakketten van 10% tezamen.
Overigens hoeft het niet steeds zo te zijn dat de waarde die niet neerslaat bij de certificaathouder ook niet bij een ander belast is. Wellicht niet veel voorkomend, maar wel denkbaar is dat een deel van het economische belang toekomt aan een ander. In dat geval is dat deel van het economische belang belastbaar bij deze ander, waarbij het van diens fiscale positie afhangt of daadwerkelijk sprake is van belastingplicht. De totaal in potentie te belasten waarde neemt pas af indien een deel van het economische belang niet belast kan worden bij de certificaathouder, maar ook niet bij een ander. In zoverre zou men kunnen zeggen dat het vermogen fiscaal zweeft, gelijk bij APV’s het geval was voor invoering van de APV-regeling.
In dat laatste verband rijst de vraag wanneer sprake is van zodanig restrictieve administratievoorwaarden, dat de certificaathouder niet meer geacht kan worden het volledige economische belang te hebben, terwijl het ook niet zo is dat een deel van dit belang toekomt aan een andere persoon. Vooropgesteld zij, dat het mijns inziens niet mogelijk is om hele concrete uitspraken hierover te doen, gezien de veelheid aan mogelijke administratievoorwaarden en de diversiteit aan benaderingen die daarbij gekozen kunnen worden. Uiteindelijk zal per geval beoordeeld moeten worden of nog gezegd kan worden dat de certificaathouder het volledige economische belang heeft of niet. Ik ben evenwel van mening dat er situaties kunnen zijn waarin het certificaat de houder hiervan weliswaar een aanspraak verschaft om (op enig moment) de waarde van het gecertificeerde vermogen te ontvangen, alsmede alle daaruit voortgekomen inkomsten, maar dat de voorwaarden waaronder de aanspraak gerealiseerd kan worden dermate restrictief zijn, dat niet meer gesproken kan worden van het volledige economische belang. In zijn meest restrictieve vorm zou men tot een certificaat kunnen komen dat (i) niet-royeerbaar is, (ii) onoverdraagbaar is en (iii) waarbij de beslissing om uitkeringen van inkomsten te doen geheel in handen van het bestuur van de STAK ligt, terwijl (iv) de invloed van de certificaathouder op de organisatie van de STAK zo beperkt mogelijk is. Ik kan mij voorstellen dat een dergelijk certificaat (nagenoeg) geen waarde in het economische verkeer heeft, althans niet meer dan een fractie van de waarde van het gecertificeerde vermogen. Voorts ben ik van mening dat, hoewel het in theorie wellicht zo is dat de waarde van het gecertificeerde vermogen op enig moment op de certificaten uitgekeerd zal worden, de aan de certificaten verbonden beperkingen zodanig zijn, dat degene die op een specifiek moment certificaathouder is niet langer geacht kan worden het volledige economische belang te hebben. De invloed van anderen op het al dan niet kunnen realiseren van dit belang is daarvoor te groot.2 Waar precies het punt ligt waarop deze invloed niet meer in de weg staat aan het volledige economische belang, is evenwel moeilijk te zeggen. Mijns inziens hoeft dit nog niet zo te zijn indien de royeerbaarheid van de certificaten beperkt of uitgesloten is en de STAK geen onmiddellijke doorstootverplichting heeft, afhankelijk van de andere voorwaarden van certificering.3