Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.6.1.2:2.6.1.2 Reikwijdte
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.6.1.2
2.6.1.2 Reikwijdte
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859148:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Naar het zich laat aannemen ook het vervalsen, maar dat aspect is in deze kwestie niet aan de orde.
Rb. Rotterdam 3 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7464.
Buiten art. 4:97 BW biedt de Wet op de lijkbezorging alsmede de Wet op de orgaandonatie nog mogelijkheden om beschikkingen bij codicil te maken.
Hof ’s-Gravenhage 30 juni 1913, NJ 1913/813.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 1.6.1.4 is de vraag naar voren gekomen of onder ‘uiterste wil’ in artikel 885 lid 4 OBW ook een codicil moet worden verstaan. Onder het OBW wordt deze vraag overwegend bevestigend beantwoord. Naar huidig recht wordt tevens aangenomen dat artikel 4:3 lid 1 sub e BW zich eveneens uitstrekt tot codicillen.1 De Rechtbank Rotterdam is hierover duidelijk. Een codicil is een uiterste wil. Vernietiging of verduistering daarvan2 leidt van rechtswege tot onwaardigheid.3 Een conclusie die ik onderschrijf. Een codicil is immers een vorm van een uiterste wil. Hetzelfde geldt overigens voor de buitengewone testamenten. Deze vallen ook onder de term uiterste wil in artikel 4:3 lid 1 sub e BW.
Een vraag van een andere orde is of het gerechtvaardigd is dat het codicil onder het bereik van artikel 4:3 BW valt. In een codicil kunnen maar een beperkt aantal beschikkingen worden opgenomen die in verhouding tot de beschikkingen in andere uiterste willen beperkt zijn in gewicht. Het gaat onder meer om legaten van kleren, lijfstoebehoren en bepaalde lijfsieraden, bepaalde tot de inboedel behorende zaken en boeken (art. 4:97 BW).4 Het Hof Den Haag betrok dit argument in 1913 in zijn overweging om tot de slotsom te komen dat het verduisteren, vernietigen of vervalsen van een codicil niet leidt tot onwaardigheid. Een dergelijke handeling jegens een (buitengewoon) testament is volgens het Hof een ernstiger handeling dan die gepleegd jegens een codicil waarbij de beschikkingen uiterst beperkt zijn, zodat ook de zwaarte van de straf van artikel 885 OBW niet ook uit de aard van de zaak moest drukken op de handeling jegens een codicil.5 Voor deze redenering valt wat te zeggen. Daar kan echter tegenin worden gebracht dat niet de waarde van beschikkingen het criterium is waar onwaardigheid aan is verbonden, maar de gedraging. Het gaat erom dat de onwaardige op een listige manier invloed probeert uit te oefenen op de laatste wil van de erflater. Dat is bij een codicil niet anders dan bij andere vormen van uiterste willen. Los daarvan geldt dat bijvoorbeeld een lijfsieraad wel degelijk (een flinke) economische waarde kan vertegenwoordigen. Wat hier verder ook van zij, de wetgever heeft gesproken. Een codicil valt door de formulering van ‘uiterste wil’ in artikel 4:3 lid 1 sub e BW onder het bereik van deze onwaardigheidsgrond.