Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/4.3.9
4.3.9 Kortingen
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687177:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 580; E. Lutjens, ‘Tien jaar Pensioenwet’, ArA 2017/2, p. 14; J. Goetstouwers, ‘Kortingsbeleid: zoeken naar evenwicht’, PM 2012/148; J.A. Gielink e.a., ‘Juridische aspecten van korten van pensioenen’, TPV 2011/8. Aarzelend: H.V.R. Lepoutre, Sdu Commentaar Arbeidsrecht, artikel 7 Pensioenwet, aant. C8.5, Den Haag: Sdu Uitgevers 2017, p. 2594; R.M.J.M. de Greef, ‘Pensioen’, in: A.R. Houweling, P.G. Vestering en W.A. Zondag (red.), Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, Deel II, Den Haag: Sdu 2020, p. 3689. Zie over de norm van artikel 105 lid 2 Pw nader paragraaf 6.8.3.
Zo ook I. Vermeeren-Keijzers en W.C.M. Donner-Broersma, ‘Is het maken van onderscheid bij het korten op pensioen geoorloofd?’, ArbeidsRecht 2013/7.
Brief DNB inzake evenwichtige belangenafweging bij korten van pensioenrechten en pensioenaanspraken van 8 november 2013, te vinden via Open Boek Toezicht.
Hof Den Haag 16 april 2019, PJ 2019/60, m.nt. W.P.M. Thijssen (gepensioneerden/Pensioenfonds Metaal en Techniek).
Rb. Midden-Nederland 29 oktober 2014, PJ 2018/181, m.nt. M.J.C.M. van der Poel (gepensioneerde/Bedrijfstakpensioenfonds PNO).
I. Vermeeren-Keijzers en W.C.M. Donner-Broersma, ‘Is het maken van onderscheid bij het korten op pensioen geoorloofd?’, ArbeidsRecht 2013/7, noemen het een solidariteitsoffer.
R.H. Maatman, ‘Pensioen en pensioenfonds in transitie’, Ondernemingsrecht 2013/109; R.H. Maatman, ‘Negatieve rente compliceert evenwichtige belangenafweging pensioenfondsen’, Ondernemingsrecht 2020/33.
Hof Den Haag 16 april 2019, PJ 2019/60, m.nt. W.P.M. Thijssen (gepensioneerden/Pensioenfonds Metaal en Techniek).
J.A. Gielink e.a., ‘Juridische aspecten van korten van pensioenen’, TPV 2011/8; I. Vermeeren-Keijzers en W.C.M. Donner-Broersma, ‘Is het maken van onderscheid bij het korten op pensioen geoorloofd?’, ArbeidsRecht 2013/7.
J. Kok, D. de Boer en E. Koops, ‘Solidariteit in goede en slechte tijden: evenwichtig korten’, TPV 2012/31.
T. Zuiderman, ‘Hoe verhoudt gedifferentieerd korten zich tot ringfencing?’, PM 2017/84. Een van de problemen met inhaalindexatie was overigens dat werknemers die na de korting in dienst zijn getreden de korting van de ex-werknemers betalen, ten koste van hun eigen indexering, zie J.M. van Riemsdijk, ‘Toeslagverlening’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 663. Dat is met de wijziging van het Financieel Toetsingskader in 2015 minder een probleem omdat artikel 137 lid 2 onder c Pw nu stelt dat inhaalindexatie niet ten koste mag gaan van toekomstige toeslagverlening.
Hof Amsterdam 14 februari 2017, PJ 2017/38 (ex-werknemer/Stichting Pensioenfonds Mercurius), m.nt. L.H. Blom. Ook volgens annotator Blom kan een verschillende korting worden doorgevoerd tussen deelnemers enerzijds en gewezen deelnemers en gepensioneerden anderzijds, mits dat evenwichtig is. Zie ook I. Witte, ‘Evenwichtige vertegenwoordiging’, TPV 2016/5.
Dit gezien de spiegelbeeldige situatie van artikel 58 Pw. Zie J. Kok, D. de Boer en E. Koops, ‘Solidariteit in goede en slechte tijden: evenwichtig korten’, TPV 2012/31.
M. Heemskerk, ‘Op zoek naar de grenzen van de solidariteit in het aanvullend pensioen’, WPNR 2013/6968; M. Heemskerk, ‘Gelijke behandeling en pensioen’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 507-508; M. Heemskerk, Van pensioencrisis naar pensioen(r)evolutie, Den Haag: Bju 2013, p. 46; W.P.M. Thijssen, ‘Pensioen (te)korten’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 943; J.A. Gielink e.a., ‘Juridische aspecten van korten van pensioenen’, TPV 2011/8; I. Vermeeren-Keijzers en W.C.M. Donner-Broersma, ‘Is het maken van onderscheid bij het korten op pensioen geoorloofd?’, ArbeidsRecht 2013/7; A.T.J.M. Jacobs, Pensioenrecht, de sociaalrechtelijke en sociaalpolitieke aspecten, Deventer: Kluwer 2017, p. 109.
Na uitdiensttreding kan pensioen niet alleen omhoog, maar bij een pensioenfonds ook omlaag, oftewel worden gekort op grond van artikel 134 Pw. Korten is een ultimum remedium, dat wil zeggen dat het slechts mag worden toegepast als het pensioenfonds met andere middelen niet in staat is te herstellen. De bescherming van artikel 134 Pw ziet zowel op de pensioenen van werknemers als ex-werknemers. Reden waarom ik hier verder niet op de algemene aspecten van korting in ga.
Waar ik wel bij wil stilstaan is de interessante vraag of bij korting een onderscheid mag (of zelfs moet) worden gemaakt tussen werknemers en ex-werknemers. Als het pensioen omhooggaat middels een toeslag, constateerde ik in de vorige paragraaf dat een dergelijk onderscheid mag. Daarbij geldt voor het pensioenfonds de norm van artikel 105 lid 2 Pw, namelijk dat in het beleid de belangen van (gewezen) deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever evenwichtig worden behartigd.1 Dat geeft ruimte voor een zekere beleidsvrijheid en dus mogelijkheden voor zogeheten gedifferentieerd korten, waarbij groepen met een ongelijk percentage mogen worden gekort.2 Het enkele feit dat artikel 58 Pw niet verplicht tot gelijke behandeling tussen werknemers en ex-werknemers bij toeslagen, betekent niet a contrario dat hetzelfde geldt bij kortingen.3 Een pensioenfonds zal moeten rechtvaardigen waarom gedifferentieerd korten voldoet aan de norm van artikel 105 lid 2 Pw,4 net zoals gerechtvaardigd moet worden als iedereen op gelijke wijze wordt gekort.5
Andersom geredeneerd kan onder omstandigheden een uniforme korting van werknemers en ex-werknemers niet evenwichtig zijn. Immers, anders dan ex-werknemers kunnen werknemers naast een korting geconfronteerd worden met zaken als premieverhoging en beperkingen in de verdere opbouw.6 Dat komt ook tot uitdrukking in het feit dat volgens de wet korting pas mogelijk is als andere beschikbare sturingsmiddelen zijn ingezet.7 Daardoor dwingt de wetgever de werknemers al tot solidariteit met ex-werknemers voordat tot het uiterste redmiddel van korting over kan worden gegaan.8 Die solidariteit is echter niet onbegrensd.
Ook andere feitelijke omstandigheden zijn van belang om te bezien wat van wie kan worden gevergd en hoe ver de solidariteit gaat. Het is denkbaar dat werknemers in een middelloonregeling zitten terwijl de gepensioneerden nog een riante eindloonregeling hadden, gepensioneerden in het verleden langjarig indexatie hebben ontvangen, en zij wellicht achteraf te weinig premie hebben betaald door een inmiddels gestegen levensverwachting.9 Ook kan van belang zijn dat een gepensioneerde in een periode van onderdekking een niet gekorte uitkering heeft ontvangen, ten koste van het pensioenvermogen (en dus de actieve en gewezen deelnemers),10 of dat werknemers hun loon niet zien stijgen. Daar staat echter weer tegenover dat een gepensioneerde ex-werknemer door een korting direct nadeel ondervindt, wellicht al langer direct nadeel ondervindt door het uitblijven van indexatie, een korting soms niet meer kan compenseren middels opbouw bij een andere werkgever, zijn toekomstige indexatiemaatstaf kan worden gewijzigd (versoberd) en in mindere mate dan werknemers uitzicht heeft op inhaalindexatie.11 Als een slaper na een korting tot waardeoverdracht besluit, zal dat uitzicht zelfs definitief verdwijnen.12
Al met al verschilt de positie van ex-werknemers fundamenteel van die van werknemers. Gedifferentieerde korting is niets anders dan het verdelen van de pijn en ligt voor de hand als een bepaalde groep al op een andere manier (bovenmatig) bijdraagt aan het herstel van het pensioenfonds.13 Wat evenwichtig is zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Ook artikel 123 Pw (door een pensioenfonds uitgevoerde regelingen zijn financieel een geheel) staat daar niet aan in de weg.14 Hoewel verschil in korting tussen gepensioneerden en slapers onderling mogelijk is, zal het naar mijn mening over het algemeen gezien wel evenwichtig zijn om hen gelijk te behandelen.15
Wel bestaat er bij gedifferentieerd korten mogelijk een indirect onderscheid naar leeftijd als gepensioneerden meer worden gekort dan werknemers; gepensioneerden zullen immers meestal ouder zijn. Deze ongelijke behandeling zal dan objectief gerechtvaardigd moeten worden.16 Die rechtvaardigingsgronden zullen dezelfde zijn als de gronden waarom het bestuur voldoet aan artikel 105 lid 2 Pw.