Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/4.3.3
4.3.3 Het einde van de pensioenovereenkomst
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687153:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook: J.M. van Slooten, ‘Is de rechtsverhouding met de gepensioneerde werknemer bevroren? Een verkenning’, in: W. Plessen, H. van Drongelen en F. Hendrikx (red.), Sociaal recht: tussen behoud en vernieuwing. Liber amicorum voor prof. dr. Antoine Jacobs, Zutphen: Uitgeverij Paris 2011, p. 438-439; J.M. van Slooten, ‘“Uitgewerkte rechtsverhouding” als arbeids- en/of pensioenrechtelijk leerstuk’, TPV 2012/16; J.M. van Slooten, ‘De “uitgewerkte rechtsverhouding”: geen argument, maar soms een conclusie’, ArbeidsRecht 2013/6.
S.A. Kampijon, ‘Het argument van de uitgewerkte rechtsverhouding uitgewerkt?’, P&P 2013/1, meent dat de pensioenovereenkomst naar zijn aard onopzegbaar is, omdat het dient te blijven bestaan als bron van pensioenaanspraken en -rechten tot het moment dat geen uitkeringen meer hoeven te worden gedaan. Volgens E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 163, is de pensioenovereenkomst opzegbaar, maar brengt de aard van de overeenkomst met zich mee dat als opzegging niet is overeengekomen, opzegging slechts mogelijk is op de gronden waarvoor een wijziging van pensioenovereenkomst is toegestaan.
C.H. Sieburgh en A.S. Hartkamp, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I 2012, nr. 44.
Hof Amsterdam 12 juni 2012, PJ 2012/119, m.nt. R.A.C.M. Langemeijer (Vereniging van Gepensioneerden van de Delta Lloyd Groep c.s./Delta Lloyd c.s.); HR 8 november 2013, JAR 2013/300, m.nt. M. Heemskerk, PJ 2013/191, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy (Vereniging van Gepensioneerden van de Delta Lloyd Groep c.s./Delta Lloyd c.s.); Hof Den Haag 11 augustus 2015, PJ 2015/137, m.nt. B. Degelink (werkgever/SRLEV). Elders wijst M. Heemskerk, Van pensioencrisis naar pensioen(r)evolutie, Den Haag: Bju 2013, p. 32, ook op de laatste uitkering als eindmoment. Eveneens Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 43.
A-G Bakels concludeert aldus in HR 21 september 2001, PJ 2001/88, m.nt. E. Lutjens (ex-werkgever/weduwe): ‘een toezegging van een weduwepensioen door een werkgever in een arbeidsovereenkomst moet worden gezien als een derdenbeding ten behoeve van de echtgenote van de werknemer’. Annotator Lutjens acht die visie juist. Eenzelfde mening is Thijssen toegedaan in zijn annotaties bij Rb. Middelburg 19 juli 1995, PJ 1995/33, m.nt. W.P.M. Thijssen (Fermont/Fermont Assurantiën) en Rb. ’s-Hertogenbosch 13 november 1998, PJ 1999/1, m.nt. W.P.M. Thijssen (Sybesma-Theelen/Thermo-centre Technische Handelsonderneming). In HR 3 februari 2017, PJ 2017/31 (weduwe/verweerder) claimt de weduwe bij een groepsvennootschap van de ex-werkgever, maar valt het begrip ‘derdenbeding’ niet. Vergelijk ook P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 380-381; R.F. van der Ham, ‘Reactie op: De rol van de partner in het pensioenrecht’, TPV 2016/7; G.J. Scholten, De oorzaak van de verbintenis uit overeenkomst, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1934, p. 119.
Vergelijk onder meer Rb. Amsterdam 20 juli 2011, PJ 2012/109 (weduwe/SRLEV), brief van verzekeraar bevat derdenbeding voor weduwe; Rb. Limburg 10 april 2013, PJ 2013/11 (weduwe/Nationale Nederlanden c.s.), geen instemming partner nodig voor afstand nabestaandenpensioen; Hof ’s-Hertogenbosch 3 februari 2015, PJ 2015/67 (weduwe/ABP), nabestaande heeft geen eigen contractuele aanspraak maar een van de deelnemer afgeleide aanspraak. Zo ook Hof Den Haag 18 november 2014, PJ 2015/17, m.nt. E. Lutjens (Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg/weduwe c.s.); Hof ’s-Hertogenbosch 8 oktober 2019, PJ 2019/132, m.nt. C. Beltman (weduwe/vennootschap). Partner wordt geen partij bij pensioenovereenkomst volgens P.F. Doornik e.a., ‘Wijziging van pensioen gekwalificeerd’, in: Vereniging van Pensioenjuristen, Wijziging van de pensioenregeling, Vorden: Vereniging van Pensioenjuristen 2014, p. 46; H.V.R. Lepoutre, Sdu Commentaar Arbeidsrecht, artikel 7 Pensioenwet, aant. C.2.6, Den Haag: Sdu Uitgevers 2017, p. 2540; J.J. Los, ‘De partner en de pensioenregeling’, ArbeidsRecht 2015/44; M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Bju 2020, p. 98; T.J. Zuiderman, ‘De partner als derde bij de pensioenovereenkomst’, TAO 2018/3, p. 105. Het meest uitvoerig hierover is T. Huijg, ‘De rol van de partner in het pensioenrecht’, TPV 2015/36, die de mogelijkheid van een derdenbeding niet uitsluit, maar niet voor de hand vindt liggen gezien de wet(sgeschiedenis) en rechtspraak. Vergelijkbaar E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 146 en nr. 569.
E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 163. Zie ook artikel 7:719 BW en artikel 7:734h BW die bijzondere overlijdensuitkeringen bevatten voor de zee-arbeidsovereenkomst. Andere voorbeelden zijn zo divers als de praktijk kan zijn. Denk aan expats met een contractuele verplichting voor de (ex-)werkgever om het gezin bij overlijden van de werknemer te repatriëren, of financiële steun uit hoofde van een sociaal fonds van de ex-werkgever voor de nabestaanden. Ook voor dat laatste bevat de zee-arbeidsovereenkomst een bijzondere regeling, artikel 7:734k BW.
Kamerstukken I 2006/07, 30413, C, p. 19, gaat er nog vanuit dat de pensioenovereenkomst eindigt met het einde van de pensioenopbouw. Vergelijk E. Lutjens en S.H. Kuiper, ‘Pensioenwet en privaatrecht’, NTBR 2008/10, sprekend over waardeoverdracht op de pensioendatum: ‘Wordt van deze mogelijkheid gebruikgemaakt, dan wordt daarmee de rechtsbetrekking tussen zijn voormalig werkgever en de pensioenuitvoerder beëindigd’. Vergelijk ook: M. Heemskerk e.a., ‘Wijzigingsvraagstukken in de pensioendriehoek’, TPV 2012/42, die stellen ‘tussen de gewezen werknemer en de pensioenuitvoerder blijft een verbintenis bestaan zolang geen waardeoverdracht heeft plaatsgevonden’.
Aldus over waardeoverdracht J. de Bruin, F. Foppes en S. Kuiper, ‘Collectieve waardeoverdracht en het bereik van artikel 84 Pensioenwet’, in: Vereniging voor Pensioenrecht, Het verweesde pensioenfonds, en nu?, Den Haag: Sdu 2013, p. 71.
Voor een overzicht G.A. Diebels, ‘Drie aspecten van het slapende dienstverband’, ArbeidsRecht 2017/45.
Volgens Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2018, PJ 2018/64, m.nt. B. Degelink (appellant/pensioenfonds), is na waardeoverdracht de rechtsverhouding tussen de gewezen deelnemer en het pensioenfonds ‘in beginsel uitgewerkt’. Hoewel mij niet helemaal duidelijk is wat het hof hiermee bedoelt, is dit wat anders dan beëindiging. E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 772, stelt dat door waardeoverdracht de overdragende pensioenuitvoerder uit de pensioenverbintenissen jegens de gerechtigde wordt bevrijd. Eerder schreef hij (E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 640) dat door afkoop de werkgever ten opzichte van zijn werknemer wordt bevrijd van pensioenverplichtingen en verbintenissen tenietgaan middels afstand van recht.
De rechtsverhouding tussen de ex-werkgever en ex-werknemer kan op basis van de hiervoor besproken problematiek zowel contractueel zijn (er is een voortdurende overeenkomst) als postcontractueel (de overeenkomst is geëindigd maar nog niet alle daaruit voortvloeiende verbintenissen).1 De postcontractuele rechtsverhouding is daarmee in ieder geval een rechtsverhouding die voortkomt uit een geëindigde arbeidsovereenkomst.
Een vervolgvraag is wanneer die overeenkomsten die voortduren na het einde van de arbeidsovereenkomst eindigen. Voor een overeenkomst als de huurovereenkomst is dat vrij eenvoudig te benoemen: het einde van de huur. Voor de pensioenovereenkomst ligt dat ingewikkelder. De Pw regelt de beëindiging van de pensioenovereenkomst niet en kent geen mogelijkheid tot (tussentijdse) opzegging.2 Daarom zal moeten worden teruggevallen op de hoofdregel in het verbintenissenrecht dat een overeenkomst pas eindigt als alle verbintenissen teniet zijn gegaan.3 ‘Cru geformuleerd’, aldus annotator Heemskerk bij het ECN-arrest, ‘eindigt de laatste pensioenverbintenis pas bij de dood’. In hoger beroep meent het hof, en in cassatie ook A-G Timmermans, dat niet de dood, maar de laatste pensioenbetaling het einde betekent van de pensioenovereenkomst, wat uiteraard kan samenvallen met de dood van de ex-werknemer. Dezelfde bewoording hanteert het hof Amsterdam in het hiervoor al genoemde Delta Lloyd-arrest.4
Zou je het standpunt innemen dat een nabestaande via een derdenbeding partij kan worden bij een pensioenovereenkomst die (ook) nabestaandenpensioen omvat, dan kan een pensioenovereenkomst zelfs de dood van de ex-werknemer overleven.5 Wie dit standpunt zoals ik te ver vindt gaan, en meent dat de nabestaande enkel een van de ex-werknemer afgeleid recht heeft en alleen een relatie heeft met de pensioenuitvoerder (althans krijgt bij overlijden van de ex-werknemer),6 zal op zijn minst moeten onderkennen dat een uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende verbintenis de dood van de ex-werknemer kan overleven, net zoals een in de arbeidsovereenkomst toezegde overlijdensuitkering aan nagelaten betrekkingen die uitstijgt boven artikel 7:674 BW als verbintenis de arbeidsovereenkomst kan overleven.7
Interessant is tot slot de vraag of waardeoverdracht of afkoop desondanks kan leiden tot een voortijdig einde van de pensioenovereenkomst. Het complicerende daarbij is dat het bij waardeoverdracht of afkoop gaat om een rechtshandeling in de relatie tussen de ex-werknemer en de pensioenuitvoerder, terwijl de pensioenovereenkomst nu eenmaal geldt tussen de ex-werknemer en ex-werkgever.8 Bij afkoop koopt de pensioenuitvoerder de waarde van zijn verbintenissen jegens de ex-werknemer af, en bij waardeoverdracht wordt de waarde van de verbintenissen tussen de oude pensioenuitvoerder en de ex-werknemer overgedragen.9 Betoogd kan worden dat ook dan de pensioenovereenkomst van kracht blijft als een feitelijk lege huls; een niet onbekend fenomeen dat we ook wel kennen voor de arbeidsovereenkomst, met name bij langdurige arbeidsongeschiktheid.10 Mij is echter onduidelijk welke verbintenis de ex-werkgever dan nog zou hebben en daarom zou ik concluderen dat de pensioenovereenkomst bij waardeoverdracht of afkoop eindigt.11