Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/7.1.0
7.1.0 Introductie
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977010:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
J. Thorbecke, Ueber das Wesen und den organischen Charakter der Geschichte. Ein Schreiben an Herrn Hofrath K.F. Eichhorn in Göttingen, Göttingen: 1824; Drentje 2004, p. 197.
A. Saade, ´Die Universität Göttingen. Traditionen und Innovationen gelehrter Praktiken´, in: H.-E. Bödeker, Ph. Büttgen & M. Espagne (ed.), Die Wissenschaft vom Menschen in Göttingen um 1800. Wissenschaftliche Praktiken, institutionelle Geographie, europäische Netzwerke, Göttingen: Max Planck Institut 2008, p. 23-30.
Thorbecke (1798-1872) is als aanhanger van het Duitse idealisme tot de Hegelianen te rekenen (Neuteboom, in: Van Bijsterveld & Steenvoorde 2013, p. 414).
J. Drentje, Thorbecke. Een filosoof in de politiek, Amsterdam: Boom 2004, p. 142, 197.
Zie: J. van Wageningen, ´Thorbeckes promotie in de letteren´, Stemmen des tijds, 1920, 9, II, p. 368-378.
J.R. Thorbecke 1825; L.G.W. Scholten, Voetstappen van Thorbecke. Het eigen geesteskenmerk onzer staatsinstellingen. Blijvende beginselen, Assen: Van Gorcum 1966.
Vgl. Mantels 2013.
J.R. Thorbecke, Staatsinrigting en Staatsbestuur, bewerkt door J.P. Duyverman, Arnhem: GoudaQ 1968, p. 7. Thorbecke promoveert summis honoribus (1820) in de letteren. De benoeming tot btg. hoogleraar te Gent is op 13 mei 1825 en zijn Oratio de disciplinarum historicopoliticarum argumento in oktober 1825. In 1831, als btg. hoogleraar, promotie in Leiden honoris causa tot doctor in de rechtsgeleerdheid. In 1834 volgt benoeming tot gew. hoogleraar aldaar; L.W.G. Scholten, Thorbecke en de vrijheid van onderwijs tot 1848, (diss. UU), Utrecht: Schotanus 1928, p. 17 e.v., Hooykaas 2005, p. 13 en Drentje 2004, p. 135-136, 213, 217.
Marino, Praeceptores Germaniae, p. 5.
Drentje 2004, p. 18, 57-62, 341, 357; Aerts 2018, p. 33, 62, 78-79, 83, 142, 146, 148 (‘de monarchie als staatsvorm´), p. 152, 182.
Drentje 2004, p. 18, 34-36, 218, 221-222 en Het vrijste volk der wereld. Thorbecke, Nederland en Europa, Zwolle: Waanders 1998. De colleges descriptieve statistiek van Europa en het Europese statensysteem (Heeren) liggen ten grondslag aan het wetenschappelijk werk van Thorbecke. Van Heeren verschijnt in 1809 na het Handbuch der Geschichte der Staaten des Altertums (Göttingen 1799) het Handbuch der Geschichte des europäischen Staaten-systems und seiner Colonien (Herdruk verschenen in 2013).
Duyverman 1968, p. 8.
Ibid., 1968, p. 9-10.
J.R. Thorbecke 1829.
Drentje 2004, p. 280.
Ibid., p. 95, 289, 294; Aerts 2018, p. 208-210.
Ibid., p. 224, 287. In het kader van de Verfassungsgeschichte geeft Thorbecke college vanaf 1826 in de Allgemeine Geschichte der Verfassungen seit der Völkerwanderung.
J.P. Duyverman, ´Thorbecke als Leids hoogleraar (1831-1849)´, TB & P, 1979, 34, p. 378-386; Fruin 1901, 1980, p. 1. Bronnen: Thorbecke geeft college geschiedenis der staatsinstellingen als jurist - niet als historicus - een afspiegeling der wetten, niet van de werkelijkheid; vgl. I. Schöffer, ´Geschiedenis als leerschool voor de staatkunde. J.R. Thorbecke (1798-1872)´, p. 37-54, in: Bossenbroek e.a. (red.) 1996, p. 47-48, I. Schöffer, ‘De colleges van Thorbecke en Fruin 1840-1858´, 1987, p. 219-226 en Drentje 2004, p. 21, 220.
Drentje 2004, p. 288, 295; Aerts 2018, p. 212, 266.
In 1870 zijn de exameneisen voor staathuishoudkunde c.a.: Het examen in de statistiek van Nederland en een beknopt overzigt van den toestand van landbouw, nijverheid en handel en financiën in ons vaderland en Nederlandsch-Indië; veel kennis van cijfers is niet daarbij te vorderen, KB van 10 maart 1870, Stb. 1870, nr. 49, onder H.
Drentje 2004, p. 295.
Ibid., p. 294; Otterspeer 1992, p. 223.
Vgl. C.A. von Malchus, Statistik und Staatenkunde. Ein Beitrag zur Staatenkunde von Europa, Stuttgart: Cottaschen 1826.
G.K. van Hogendorp, Schets eener Constitutie 1812; Bijdragen tot de Huishouding van de Staat in Het Koningrijk der Nederlanden, verzameld ten dienste der Staten-Generaal, 10 delen, 1818/29, Drentje 2004, p. 297 en Aerts 2018, p. 213, 223, 267.
Aerts 2018, p. 224 en Drentje 2004, p. 232, 318.
Drentje 2004, p. 298.
Proeve van herziening der Grondwet volgens de Aanteekening van Mr. J.R. Thorbecke, Leyden: Hazenberg 1840; D. Donker Curtius, Proeve eener nieuwe Grondwet, Arnhem: Thieme 1840 (artikel 191: De inrigting van het publiek onderwijs wordt door de wet geregeld. Het bijzonder onderwijs is vrij); Drentje 2004, p. 298, 325; Aerts 2018, p. 281-282.
J.R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, inclusief de Schets van Van Hogendorp, Amsterdam: Müller 1839; Van Assen 1840; J.R. Thorbecke, ’Over hedendaagsch staatsburgerschap´, in: Historische schetsen , ’s-Gravenhage 1872, p. 84-96, M. Buys, Mr. Joh.R. Thorbecke, Tiel: Mijs 1872, I.J. Brugmans, Thorbecke, Haarlem: Bohn 1932 en Boersema 1949.
Brief aan C.J. van Assen, 16 september 1839 (Briefwisseling III, 360); Drentje 2004, p. 326.
J.R. Thorbecke, Aanteekening op de Grondwet, 2e uitgave, Amsterdam: Müller 1841.
J.R. Thorbecke, Over de hervorming van ons kiesstelsel, Leiden: Van den Heuvell 1842; brieven III, 129.
C. van Vollenhoven, ´Professor Thorbecke (1831-1849)´, De Gids 1930, p. 15.
Aerts 2018, p. 331.
Ibid., p. 332.
Ibid., p. 333-334; vgl. E. Poortinga, De scheiding tussen publiek- en privaatrecht bij Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). Theorie en toepassing, Nijmegen: AA 1987.
J.R. Thorbecke, ´Over het hedendaagsche staatsburgerschap´, in: Idem, Historische schetsen, 1844, p. 144 e.v.; Drentje 2004, p. 352, 356, Manger Jr 1938 en R. van Raak, ‘Het oppoetsen van de liberale veren: De politieke synthese van Philip Kohnstamm’, in: Overeem & Ten Napel 2021, p. 148-150.
Ibid., p. 352.
Drentje 2004, p. 357.
Thorbecke 1847; vgl. Van Roijen 1837, J.P. Duyverman, ´Thorbecke raadslid 1845-1850’, Bestuurswetenschappen 1959, 13, p. 157-185 en Drentje 2004, p. 382-383.
Aerts 2018, p. 341-342.
Ibid., p. 423-424.
C. Sol1 1998; Drentje 2004, p. 382-384.
Europese politieke en diplomatieke geschiedenis: staatsvorming
Van 1822 tot 1824 is Thorbecke privaatdocent in de staatkundige geschiedenis van de Oudheid en de Staats- und Rechtsverfassung des Deutschen Reiches aan de Ludoviciana-Universiteit in Giessen (D). In 1824 komt Ueber das Wesen und den Charakter der Geschichte uit, ‘een studie van waaruit hij zijn hele leven zou blijven opereren’.1 Hierna volgt een kort intermezzo in Göttingen,2 waar Thorbecke3 werkt aan de colleges over ‘de regeringsvorm en het staatkundig, burgerlijk en maatschappelijk bestaan onzer steden in Flaandren en Braband van de elfde tot de vijftiende eeuw’.4 Vanaf 1825 is hij werkzaam na zijn promotie in de letteren5 als buitengewoon hoogleraar in de Europese politieke en diplomatieke geschiedenis, de geschiedenis van de internationale betrekkingen (Verdragsgeschiedenis) en de statistiek (waaronder publiekrecht)6 van het Koninkrijk der Nederlanden te Gent.7
Zijn colleges staan in het teken van het proces van Europese staatsvorming vanaf de middeleeuwen. Hij doceert als historicus de universitas van de Europese staten.8 Zijn inaugurele rede Oratio de disciplenarum historico/politicarum argumento - over de historisch-politieke wetenschap - was op 4 oktober 1825.9 Zijn leermeester, historicus Heeren die Statistik gaf10 en aspecten van Thorbeckes leeropdracht al een kwart eeuw doceerde, inspireert hem vanaf 1826 om colleges statistiek te geven, waarvan Staatsinrigting en staatsbestuur deel uitmaken.11 Deze colleges bestaan uit:
Inleiding in de Staatsinrigting en het Staatsbestuur van Nederland
Kennis des Staats: 1. Van het land en 2. des volks, 3. Volkshuishoudkunde 4. Staatsinrigting12, 5. Staatsbestuur, met finantiewezen, buitenlandse Staatshuishoudkunst en volksvermogen.
Ad II, 4: Staatsinrigting: a) Staatsleer, b) Staatsmacht, c) Regeringsvormen en d) De verhoudingen van ‘de leden en deelen des Staats’.13
Colleges in de instituties van de republiek tot 1795
In zijn Gentse jaren verschijnt in 1829 Over het bestuur van het onderwijs, in betrekking tot eene aanstaande wetgeving.14 Na zijn juridische promotie honoris causa volgt in 1831 de benoeming aan de Rijksuniversiteit Leiden tot buitengewoon hoogleraar politieke en diplomatieke geschiedenis en statistiek.15 Hij doceert staatswetenschappen, behalve staathuishoudkunde, waarin collega proximus Tydeman colleges statistiek van Nederland geeft.16
De instituties van de Republiek tot 1795 vormen de basis van de colleges.17 Door meer auteurs is vanuit dit perspectief de emancipatie van het middeleeuwse begrip Bürgertum onderzocht.18 Tot de leeropdracht van Thorbecke behoren de statistiek van Groot-Brittannië, de geschiedenis van de rechtsinstellingen sinds Karel V (vanaf 1833) en de staats- en rechtsgeschiedenis van Nederland en de geschiedenis der staats- en regtsinstellingen.19 Het vak statistiek is descriptief en kwantitatief.20 Thorbecke profileert zich met rechtsvergelijkende Europese dimensies, waar Tydeman volgens Drentje ‘in opsommingen van verzamelde feiten blijft steken’.21 Methodisch ziet Thorbecke de rechts- en staatswetenschappen ‘een wetenschappelijk beginsel van samenhang hanteren’.22
Schets van eene Grondwet van Van Hogendorp
Na benoeming tot gewoon hoogleraar in 1834 in Leiden beginnen aanstonds in 1835 de colleges over de Grondwet(ten van Europese staten)23 aan de hand van de Schets van eene Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden van Van Hogendorp.24 Drentje ziet in de behandeling als Verfassungsgeschichte25 de basis voor Thorbeckes latere optreden als ‘gematigd constitutioneel hervormer’ en in de colleges een kweekvijver voor liberale juristen.26 De Proeve van herziening der Grondwet volgens de Aanteekening van Mr.J.R. Thorbecke27 (1840) is een vervolg op de juridisch-generatieve Aanteekening op de Grondwet (1839).28 Thorbecke kenmerkt zijn werkzaamheden op pathetische wijze als ‘het zonder razen reinigen van de Grondwet als een Augiasstal’.29 De tweede druk van de Aanteekening verschijnt in 184130, gevolgd in 1842 door de brochure Over de hervorming van ons kiesstelsel.31
Administratief- of politieregt
Vanaf 1846 geeft Thorbecke - als eerste hoogleraar in den lande - zijn fameuze colleges in het administratief- of politierecht.32 Hij bezigt de term ‘politie’ voor het openbaar bestuur.33 In de voorbereiding van de colleges drie keer per week zit hij ‘begraven in het administratiefregt, een chaos die ik ongaarne zou verlaten zonder er licht in te hebben gebragt’.34 Hij doceert over het gemeente-, provinciaal en rijksbestuur. Deze kringen worden in de term ‘de gronden van de gemeente-, provinciale en Staatsinrigting van Nederland’ tot uitdrukking gebracht. Dit komt aan bod in par. 7.2.1. Thorbecke betrekt hierbij de functionele organisatie van de waterschappen. Zijn favoriete onderwerp is ‘de verhouding tussen het publiek- en privaatrecht en het hierop funderen van het openbaar bestuur en het staatsburgerschap’.35
Hedendaagsch staatsburgerschap
Drentje beschouwt de rede van Thorbecke in ‘het idealistische essay’ Over het hedendaagsche staatsburgerschap als ‘de slotsom van zijn politiek-intellectuele ontwikkeling’.36 In de rede duidt Thorbecke de tendenties in de geschiedenis aan, formuleert hij zijn opvattingen over het primaat van het publiekrecht en sluit hij zich aan bij het Europese perspectief van leermeester Heeren.37 Drentje ziet het essay als ‘een afscheid van het Nederlandse politieke systeem’.38
Staatsinrichting en handelsrecht vloeien voort uit Thorbeckes colleges
Eenmaal lid van de Leidse stedelijke raad verschijnt in 1847 de brochure Over plaatselijke begrooting.39 Deze bevat ‘een terloops requisitoir over de kwaliteit van stadsbesturen en een analyse van de organisatie van het openbaar bestuur sinds 1815’.40 In 1848/49 geeft hij colleges in de (diplomatieke) geschiedenis, statistiek, staathuishoudkunde en handelsrecht.41 De opsomming van de vakken op de vijfjarige hbs is geen toeval; zij vloeit voort uit de indeling van Thorbeckes colleges. De academische carrière van Thorbecke loopt ten einde, vanwege het gaan bekleden van ambten, als Tweede Kamerlid en minister van Binnenlandse Zaken en de in tijd gemeten opmerkelijk grillig verlopende werkzaamheden in de Leidse gemeenteraad.42