Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking
Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.14.3:9.14.3 Financiële noodtoestand
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.14.3
9.14.3 Financiële noodtoestand
Documentgegevens:
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196917:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Manager als omschreven in nt. 1 bij 9.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
[347] De veronderstelling, dat de financiële situatie van de rechtspersoon een omstandigheid zou kunnen zijn die een ingreep in de managementvergoeding rechtvaardigt, roept een vraag op. Kunnen ook andere financiële verplichtingen van de rechtspersoon met onmiddellijke voorzieningen bij financiële nood worden aangetast? Dat is onaannemelijk. Nog afgezien van velerlei andere bezwaren, lijken de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit hieraan in de weg te staan.
Er zijn natuurlijk wel verschillen tussen ‘gewone’ crediteuren van de rechtspersoon en managers.1 Deze laatsten zijn geïnvolveerd in het bestuur en beleid van de rechtspersoon. Zij voeren op grond van een overeenkomst bestuurswerkzaamheden uit. Veel van hen hebben bovendien een interne rechtsverhouding met de rechtspersoon in de zin van artikel 2:8 BW. Niet valt in te zien dat die betrokkenheid op zichzelf voldoende zou zijn om hen, zwaarder dan andere crediteuren, te belasten met een risico voor de financiële staat van de rechtspersoon. Hun positie van manager is op zichzelf geen argument om hen bij financiële nood de vergoeding te ontzeggen.
Is dat anders als er niet slechts een financiële noodtoestand heerst, maar bovendien aan de manager een verwijt te maken valt over (het ontstaan van) die noodtoestand? Als de financiële nood de manager kan worden aangerekend, vraagt de toestand van de rechtspersoon meestal wel om een onmiddellijke voorziening. Dat is dan echter een andere maatregel dan een bezoldigingsingreep. Schorsing van de manager ligt voor de hand, evenals het benoemen van een bestuurder die orde op financiële zaken kan stellen. Tussen enerzijds het goede verloop van het onderzoek en anderzijds een verwijt over de financiële toestand aan de manager, is nauwelijks een verband te ontwaren. Het lijkt mij dan ook hoogst onwaarschijnlijk, dat zo’n verwijt meebrengt dat het belang van het onderzoek een ingreep in de management fee vergt.
Ik kom tot de slotsom dat de financiële situatie van de rechtspersoon praktisch nooit een reden kan zijn om aan een geschorste persoon zijn management fee te ontzeggen.