Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/11.1.2
11.1.2 Mensenrechten en overdracht van executie
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455781:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 26 juni 1992, ECHR, Series A 240 (Drozd & Janousek/Frankrijk; NJ 1995, 258 m.nt. Knigge).
EHRM 26 juni 1992, ECHR, Series A 240 (Drozd & Janousek/Frankrijk; NJ 1995, 258 m.nt. Knigge), r.o. 110. Zie, recent, in vergelijkbare zin: EHRM 8 januari 2013, nr. 43759/10 en 43771/12 (Willcox & Hurford/Verenigd Koninkrijk), par. 94-95.
Zie over dit dilemma G.G.J. Knoops, ‘Het EVRM en de internationale overdracht van gevonniste personen’, Avocatenblad 1999, p. 133-138 en A.H. Klip & I.J.K. van der Meer, ‘Dilemma’s bij de overbrenging van gedetineerden naar Nederland’, in: M. Moerings, C.M. Pelser & C.H. Brants (red.), Morele kwesties in het strafrecht, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 341-360.
Zie Kamerstukken II 2007/08, 31 200 VI, nr. 30, p. 3-4.
Zie voor een sprekend voorbeeld Rb Maastricht 20 juli 2005, LJN AU1681, waarin de rechtbank aangaande een beroep op niet-ontvankelijkheid in verband met overschrijding van de redelijke termijn vaststelt dat die ‘grovelijk’ is geschonden, maar vervolgens overweegt: ‘Bij afweging van de betrokken belangen, is de rechtbank van oordeel dat een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie zou vormen, nu dit niet in het belang zou zijn van [veroordeelde]. Door weigering immers van de gevorderde tenuitvoerlegging in Nederland, zou het Spaanse vonnis in rechtskracht ten opzichte van verdachte in volle omvang herleven.’ In plaats daarvan legt de rechtbank een fors lagere straf op, zodat de veroordeelde direct op vrije voeten komt. Zie voor voorbeelden waarin de aangevoerde schending van het EVRM niet aanwezig wordt geacht: Rb Dordrecht 30 oktober 2003, LJN AN4780 en HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9545 (voor wat betreft het laatste voorbeeld: afgezien van de schending van de redelijke termijn).
Algemene benadering: Drozd & Janousek
De tweede jurisprudentielijn die van invloed is op de interstatelijke samenwerking in strafzaken, betreft de ruimte die een verdragsstaat heeft om een veroordeling over te nemen waaraan mogelijk mensenrechtelijke tekortkomingen kleven. In het bijzonder gaat het dan om veroordelingen die tot stand zijn gekomen in strijd met artikel 6 EVRM. Dat kan aan overname van de tenuitvoerlegging van de veroordeling in de weg staan, zo bleek uit het in dit verband belangrijke arrest-Drozd & Janoesek.1 Het wantrouwen waartoe het EVRM in dat geval noopt, troeft dan het in bijvoorbeeld WOTS-verdragen besloten liggende vertrouwen (op de veroordeling in de andere staat) af. Het EHRM eist echter niet dat elke schending van artikel 6 EVRM tot weigering van de overname leidt. Slechts in geval van (opnieuw) een flagrante schending is de aangezochte staat verplicht de overname te weigeren:
‘As the Convention does not require the Contracting Parties to impose its standards on third States or territories, France (in casu de overnemende staat, TK) was not obliged to verify whether the proceedings which resulted in the conviction (in Andorra, TK) were compatible with all the requirements of Article 6 of the Convention. To require such a review of the manner in which a court not bound by the Convention had applied the principles enshrined in Article 6 would also thwart the current trend towards strengthening international cooperation in the administration of justice, a trend which is in principle in the interests of the persons concerned. The Contracting States are, however, obliged to refuse their cooperation if it emerges that the conviction is the result of a flagrant denial of justice (…).’2
Belang veroordeelde
Bij dit alles speelt een belangrijke rol dat de veroordeelde vaak juist gediend is bij overname van de tenuitvoerlegging van de straf. Een vergelijkbare discussie speelde bij de totstandkoming van de WOTS betreffende de verdragseis: door het stellen van die principiële eis en het uitgangspunt dat verdragen alleen worden gesloten met fatsoenlijke staten, kunnen praktisch juist de veroordeelden die zich in de meest schrijnende detentieomstandigheden bevinden hun straf niet in Nederland uitzitten.3 In abstracto heeft de Nederlandse wetgever echter voor het principiële standpunt gekozen en een verdragsvoorwaarde gesteld. Dit standpunt wordt door de regering intussen wel gerelativeerd, doordat wordt overwogen verdragloze overname mogelijk te maken.4 Niettemin blijft de regering van mening dat in sommige gevallen de overname als gevolg van ernstige mensenrechtenschendingen zal moeten worden geweigerd.5Ook in concreto lijkt het EVRM in bepaalde gevallen te dwingen tot weigering van de overname. Er bestaat echter ruimte en die ruimte wordt in de praktijk ook benut.6Zeker wanneer instemming van de veroordeelde vereist is en wordt verkregen, is in de praktijk niet te verwachten dat de zojuist besproken problemen aan de orde worden gesteld en tot weigering leiden.
Consequentie voor het vertrouwen(sbeginsel)
Uit het voorgaande blijkt dat bij het overnemen of erkennen van een (veroordelend) vonnis het vertrouwensbeginsel een belangrijke rol kan spelen. Tenzij van zeer bijzondere omstandigheden sprake is – een flagrante schending van het recht op een eerlijk proces – hoeven er geen vraagtekens te worden gezet bij de veroordeling. Vaak is dat ook in het belang van de veroordeelde. Niettemin is aannemelijk dat vaker dan in het verleden de verdediging haar pijlen zal rechten op een over te nemen vonnis. Hiervoor bleek immers dat Nederland WOTS-verdragen heeft gesloten met landen die toch niet altijd worden geroemd om hun rechtsstatelijkheid. Zeker als de veroordeelde feitelijk is overgebracht naar Nederland, en humanitaire risico’s in verband met bijvoorbeeld de detentiesituatie zijn geweken, kunnen vragen worden opgeworpen aangaande het in de staat van veroordeling gevoerde strafproces. Dat kan tot een weigering leiden om de veroordeling te erkennen. Hoe juist dat in mensenrechtelijk opzicht ook is in de casus waarin dat geschiedt, het heeft wel tot mogelijk gevolg dat in toekomstige gevallen de bereidheid bij de staat van veroordeling om vonnissen over te dragen afneemt, met de humanitaire gevolgen van dien. Deze paradox zit eigenlijk in deze vorm van samenwerking ingebakken.