Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.9.4
3.9.4 Concentratiegedachte-Bolkestein 1930/1932
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS976992:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vanaf 1904 schrijft Bolkestein over onderwijs in De Opbouw: ‘Onderwijs en demokratie’, De Opbouw 1922, p. 26-29 en Kirkels 2008, p. 167-171.
G. Bolkestein, ’De Concentratiegedachte in het middelbaar onderwijs’. Twee opstellen, Groningen: Wolters 1932; vgl. De Opbouw, maart 1930, p. 11. Concentratie betreft de inhoud en verwerking van de leerstof. De systematische concentratie kan combinerend, symbiotisch en ideëel of ethisch zijn, zie: Aarts 1967, p. 132 (‘[…] concentratie is […] het beter richten van de gelijksoortige elementen in en het onderling verband tussen de leerstof […]’).
Ibid., p. 11.
Hierin schuilt mogelijk een samenvoeging van staatsinrichting met een ander vak.
Ibid., p. 13.
Ibid., p. 16. Bedoeld zijn de intellectualistische vakken. Bolkestein haalt in dit kader artikel 21 van het wetsontwerp-Waszink aan: Op den grondslag van het in het vorig artikel bedoeld leerplan wordt het onderwijs aan elke school geregeld door een bijzonder leerplan, waarvan de totstandkoming en inrichting bij AMvB worden geregeld. Dit leerplan, waarin behalve de vakken welke krachtens deze wet moeten worden onderwezen, met machtiging van Onze Minister, ook andere vakken kunnen worden opgenomen, is onderworpen aan de goedkeuring van Onze Minister. Dit artikel is een uitvloeisel van een duidelijke paedagogische overtuiging. ‘En’, zegt Bolkestein ‘men heeft er een tersluikse poging ter bevordering van het confessioneel onderwijs in gezien: er kwam zo ruimte voor godsdienstonderwijs. Een bewijs hoe zekere ‘vrijzinnigheid’ benepener kan zijn dan het zwartste obscurantisme!’
Ibid., p. 30. Ouders of maatschappelijke groepen moeten de facultatieve vakken bekostigen.
Bolkestein is niet eenduidig in zijn woordkeus. Het begrip maatschappelijke vakken is ruimer dan staats- en handelswetenschappen. Als ze tot het maatschappelijke kennisgebied behoren, dan is aanduiding met maatschappelijke vakken zuiver.
Hbs-a is te kenschetsen als een literair-economische vhmo-school of -afdeling.
Ibid., p. 41. In latere wetsontwerpen figureert algemene natuurwetenschappen.; vgl. Grotenhuis 1998, p. 84, waar is te lezen over ‘een nieuw (sic. W) op te richten C-lyceum met staatsrecht en staatsinrichting, boekhouden en handelskennis als voorbereiding op de economische wetenschappen’, hetgeen op zijn minst onvertrouwdheid met de staats- en handelswetenschappen verraadt.
Kennelijk vindt Bolkestein staatsinrichting en staathuishoudkunde als vakken nodig. Staathuishoudkunde is een historisch-descriptief vak: geschiedenis van de economie. Met het op lyceum-c liggende accent zijn deze niet verder uitgewerkte gedachten in strijd.
Bolkestein 1932; Zeeman 1949, p. 38.
KB van 8 juni 1929, Stb. 1929, nr. 310.
KB van 26 juli 1920, Stb. 1920, nr. 617.
Rapport van 28 december 1931 (Sleumer, p. 137); Van Veen 1993, p. 222 en ‘Op de Coul’, KDC Impressie 2014, 15, p. 4-5.
Publicatie van de Haagse Werkgroep voor v.o. en jeugdstudie, Groningen: Wolters 1939.
A. Albregts, ´Het onderwijs in de Staathuishoudkunde op de HBS-B´, Weekblad 1939, p. 173-176.
Bolkestein: ‘Aardrijkskunde omvat mede de sociologie van Steinmetz, waarin de huidige resultaten van de geschiedenis en staatswetenschappen ook worden opgevangen’, zie: Steinmetz (1862-1940): Sociografie: ‘Een overrijpe geografie, maar een nog onrijpe sociologie’, en J. van Doorn, ‘The development of sociology and social research in The Netherlands’, M en M 1956, 31, p. 207 en Steinmetz 1931.
Vermeld is staatshuishoudkunde. Op hbs-b heet het vak vanaf 1937 staathuishoudkunde.
Van Veen 1993, p. 22, 25.
Ibid., p. 47.
Ibid., p. 50.
Ibid., p. 51.
Ph.A. Kohnstamm, ´Het Rapport-Bolkestein en zijn toepassing in de practijk´, Weekblad 1935, 40, p. 1169.
Ibid., p. 1169-1170.
Bolkesteins Concentratiegedachte in het middelbaar onderwijs (1930)1 over een ‘vakkenconcentratie met verdieping’, te realiseren door vérgaande reductie van vakken, veroorzaakt de nodige onrust in het vhmo.2 ‘Velerlei verdeling […] van wetenschap en kennis laat zich terugbrengen tot die van de geest, natuur en maatschappij’, stelt directeur Bolkestein. ‘Vakkenconcentratie leidt tot drie schooltypen die betekenis krijgen als gebroken is met het geloof in de veel beleden algemene ontwikkeling’. Hij verwacht dat ‘de wetgever, dit beginsel aanvaardend, de sympathie van vele nadenkenden wekt […]’.3
De voorstellen richten zich op een urenreductie van vakken.4 Hiertoe behoren niet Nederlands, vreemde talen en ‘aardrijkskunde naar moderne opvatting’, en de vakken geschiedenis en staatsinrichting zijn niet langer verplicht.5 Voorts ‘[pretendeert] de middelbare school algemene vorming die versmald wordt tot intellectualisme, waar religieuze, esthetische en fysieke ontwikkeling de algemene vorming [vormen]’.6 Het lyceum bestaat uit drie richtingen: de literaire, wiskundig-natuurwetenschappelijke en economisch-maatschappelijke.7 Het lyceum komt naast de mms en de ams. Hiervan vormen (a) klassieke talen, (b) wiskunde en natuurwetenschappen en (c) geschiedenis, aardrijkskunde en staats- en handelswetenschappen8 de kern.9 Na het voorstel tot concentratie van schooltypen volgt een voorstel tot vakkenconcentratie, hetgeen ten koste lijkt te gaan voor de zelfstandige positie van staatsinrichting op de hbs.10
Staatswetenschappen tweederangs keuzevakken 1932
De concentratiegedachte is voor Bolkestein geen aanleiding om geschiedenis dusdanig te hervormen dat de staatswetenschappen11 overbodig worden. Zo'n hervorming zou overigens passen binnen zijn plan om vakken te verminderen. In de concentratiegedachte (1932) vormen de staatswetenschappen ‘tweederangs keuzevakken’, behalve op lyceum-c.12 De waarde van het onderwijs in de beginselen van de democratische rechtsstaat is niet alleen in Bolkesteins voorstellen onderbelicht. Illustratief is ook het regeringsvoorstel in 192913 staatsinrichting - sinds 1921 niet langer examenvak14 - niet op te nemen in het Examenbesluit V.H.M.O., waarop de staatswetenschappers tevergeefs forse kritiek uiten. In 1931 onderschrijft de R.K. Lerarenvereniging St. Bonaventura in het rapport-Op de Coul het voorstel om lycea in te richten en hbs-a tot middelbaar onderwijs te blijven rekenen.15 In het Concentratierapport van 1938 is staatsinrichting geschrapt op hbs-b. ‘Dit is’, stelt Albregts, ‘door Haagse ontwerpers van het Concentratieplan-vho als verkeerd vertrekpunt genomen16, zonder staathuishoudkunde op hbs-a en -b en staatsinrichting bij geschiedenis aan te houden’.17 De algemene middelbare school (ams) omvat onder meer aardrijkskunde, geschiedenis en staatsinrichting; de mms kent vooral talen, geschiedenis en aardrijkskunde. Staatsinrichting behoort, behalve op lyceum-c en ams, bij geschiedenis. Het voorstel is voor de hbs kern- en keuzevakken in te voeren:
Onderbouw: talen, wiskunde, natuur, plant- en dierkunde, aardrijkskunde, geschiedenis (alle vakken verplicht),
Bovenbouw hbs-a: talen, aardrijkskunde18, geschiedenis, staatsinrichting, handelswetenschappen, staathuishoudkunde19 en de keuzevakken wiskunde, natuur- en scheikunde, plant- en dierkunde,
Bovenbouw hbs-b: talen, wiskunde, natuur- en scheikunde, mechanica, cosmographie, aardrijkskunde en keuzevakken plant- en dierkunde, handelswetenschappen, staathuishoudkunde, staatsinrichting, geschiedenis.
De R.K. Lerarenvereniging St. Bonaventura pleit in 1938 voor lycea als voorbereidend hoger onderwijs (vho) met tweejarige onderbouw en vierjarige bovenbouw (met richtingen).20
Detailvermindering in vakken
Het tot keuzevak verklaren of weglaten van een vak ziet Bolkestein niet als een ‘denigratie’: ‘Uitgangspunt is niet hun belang, maar de vraag of ze passen in een homogeen kennisgeheel. Een eenzijdige ontwikkeling kan algemener zijn dan een veelzijdige’.21 De rechtvaardiging voor zijn voorstel vindt hij in het al jaren lijden van ‘het vhmo aan details en waardeloze kennis, waarvan het bestaan slechts historisch verklaarbaar is. Goed onderwijs aan 12- tot 18-jarigen vraagt ook […] het uitdragen van beginselen […]’ en ‘Propaganda is te veroordelen, maar een mening geven is vereist: echt neutraal onderwijs is waardeloos’.22 Bolkestein is op ongezouten wijze verweten ‘verslapping in het onderwijs’ te versterken, maar zijn repliek is steeds dat ‘zuiver intellectualisme onvoldoende is, zelfs verderfelijk’.23 De voorstellen roepen forse weerstand op.24 Maar Bolkestein lijkt hiertegen bestand en wijst op ‘de overladenheid’ van programma's die op zich zelf ‘een steeds meer beladen begrip’ vormt.25