Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.4:7.4 Wettige bewijsmiddelen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/7.4
7.4 Wettige bewijsmiddelen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nijboer 2011, § 1.6.3.
HR 17 maart 1998, NJ 1998, 798.
HR 8 januari 2002, NJ 2002, 340 en HR 15 december 2009, NJ 2010, 26.
HR 29 augustus 2006, NJ 2007, 134.
Zie op dit punt meer uitvoerig § 9.4.3.
HR 27 mei 1929, NJ 1929, p. 1329.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wettige bewijsmiddelen staan opgesomd in artikel 339 Sv. Als wettig bewijsmiddel hebben te gelden: de eigen waarneming van de rechter, de verklaringen van verdachten, getuigen en deskundigen en schriftelijke bescheiden. Alleen door de wet erkende bewijsmiddelen zijn voor het bewijs bruikbaar. Het betreft een limitatieve opsomming, maar omdat het om erg brede categorieën gaat, kan vrijwel alle informatie tot het bewijs meewerken, zolang deze is vervat in een wettig bewijsmiddel en de inhoud voldoet aan de geldende (wettelijke of jurisprudentiële) eisen. Van een strikte scheiding tussen de verschillende bewijsmiddelen naar hun inhoud is geen sprake. Zo kunnen camerabeelden voor het bewijs worden gebruikt zowel via het bewijsmiddel en de eigen waarneming van de rechter ter terechtzitting als via een procesverbaal van politie waarin een verbalisant heeft beschreven wat op de beelden te zien valt. De camerabeelden zelf hebben niet de status van ‘bewijsmiddel’; dit type informatiedragers ontbreekt in de wettelijke opsomming die sinds de totstandkoming van het wetboek in 1926 niet meer is aangepast.
Zolang de rechter maar via een van de voorgeschreven wettige bewijsmiddelen kennis krijgt van de inhoud van het bewijs, kan de informatie voor het bewijs worden gebruikt. Dit roept de vraag op naar de functie van de opsomming van wettige bewijsmiddelen. Nijboer heeft betoogd ‘dat de gebondenheid aan limitatief opgesomde wettige bewijsmiddelen (...) ten doel heeft bepaalde categorieën onderzoeksresultaten uit te sluiten die vanuit het oogpunt van het verwerven van geldige kennis onbruikbaar worden geacht’.1 Aan deze doelstelling draagt de wettelijke opsomming echter nauwelijks meer bij, nu de meeste informatie – zolang formeel maar vervat in een van de genoemde bewijsmiddelen – kan worden gebruikt bij de rechterlijke beslissing. Informatie die nog wel rechtstreeks op grond van de wet is uitgesloten, betreft de eigen wetenschap van de rechter zolang deze niet berust op gegevens van algemene bekendheid of ervaringsregels (art. 339 lid 2 Sv). In de jurisprudentie is echter wel een aantal ‘bewijsverboden’ ontwikkeld. Zo mag een verklaring die is afgelegd onder hypnose niet voor het bewijs worden gebruikt2 en zijn ook de beweringen van de raadsman niet bruikbaar bij de bewijsbeslissing.3 Ondanks dat de wettelijke opsomming weinig dienst doet bij het uitsluiten van bepaalde informatie voor het bewijs, heeft deze nog wel een andere functie. Het onderscheiden van verschillende typen bewijsmiddelen biedt immers de mogelijkheid om het gebruik daarvan te clausuleren in dat opzicht dat zij alleen mogen worden gebruikt in combinatie met andere bewijsmiddelen en onder specifieke voorwaarden. Zo kan de eigen waarneming van de rechter uitsluitend meewerken tot het bewijs wanneer deze bij het onderzoek ter terechtzitting is gedaan. Informatie die de rechter ter kennis komt na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, bijvoorbeeld dat verdachte een kenmerkend ‘loopje’ heeft, kan niet voor het bewijs worden gebruikt.4
De keuze onder welk bewijsmiddel een bepaald type informatie moet worden gebracht, wordt in de zienswijze van de Hoge Raad bepaald door de vorm van de overbrenging. De vorm is ook thans nog van belang voor de eisen die aan (de presentatie van) het bewijs worden gesteld. In het hiervoor genoemde voorbeeld van de camerabeelden geldt dat als de rechter de beelden via de eigen waarneming voor het bewijs gebruikt, deze op het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn getoond, terwijl voor het gebruik van de beelden met behulp van een proces-verbaal van de politie deze eis in beginsel niet geldt. De eisen die worden gesteld aan het bewijs worden daarmee afhankelijk (gemaakt) van de wijze van presentatie. Dit is ook zichtbaar bij de getuigenverklaring. Aan het gebruik van de getuigenverklaring via processen-verbaal werden lange tijd minder hoge eisen gesteld dan aan een ter terechtzitting afgelegde verklaring. De vorm en niet de inhoud van het bewijsmiddel was dominant voor wat betreft de eisen die aan de informatie neergelegd in het desbetreffende bewijsmiddel werden gesteld. De Hoge Raad is bij de getuigenverklaring van dit formalisme afgestapt door in 1955 te bepalen dat een aantal eisen die gelden voor de ter terechtzitting afgelegde verklaringen, ook van toepassing zijn op de in het proces-verbaal neergelegde verklaring, maar dat geldt bijvoorbeeld niet voor de eis van beëdiging.5 Het wettelijk systeem draagt in andere opzichten nog steeds sporen van formalismen, die de bewijsregeling niet overzichtelijker maken. Een voorbeeld betreft de verklaring van de medeverdachte. De wet stelt dat de verklaringen van een verdachte alleen te zijnen aanzien kunnen gelden (art. 341 lid 3 Sv) en dus niet in de zaak tegen een medeverdachte. De praktijk is hier echter (met goedkeuren van de Hoge Raad) omheen gegaan, door het begrip medeverdachte zeer beperkt uit leggen. Alleen de persoon die gelijktijdig samen op grond van dezelfde tenlastelegging en in gevoegde zaken terechtstaat, wordt als zodanig aangemerkt. Door zaken tegen medeverdachten formeel van elkaar te splitsen maar wel gelijktijdig te behandelen, zijn de verschillende personen geen medeverdachten meer van elkaar en kunnen hun verklaringen over en weer als getuigenverklaring in de zaak jegens de ander worden gebruikt.6
Zolang de informatie te rubriceren is onder een van de wettige bewijsmiddelen, voldoet aan de eisen die daaraan in wet en jurisprudentie zijn gesteld en als voldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt, mag deze informatie in beginsel voor het bewijs worden gebruikt. Een uitzondering hierop betreft het leerstuk van het onrechtmatig bewijs. De onrechtmatige verkrijging van bepaald bewijsmateriaal kan in de weg staan aan het gebruik van deze informatie voor het bewijs, in de zin dat het van het bewijs wordt uitgesloten via artikel 359a lid 1 onder a Sv. Op deze problematiek wordt verder niet ingegaan, daar de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal in dit onderzoek centraal staat. Hier wordt volstaan met de opmerking dat het feit dat bewijsmateriaal een zekere bewijswaarde heeft, niet betekent dat het ook onder alle omstandigheden als bewijsmiddel kan worden gebruikt.