Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.3.3.2:3.3.3.2 Datio solvendi causa
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.3.3.2
3.3.3.2 Datio solvendi causa
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS501103:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Doorgaans wordt een prestatie verricht met de bedoeling dat een schuld wordt voldaan. Soms wordt deze bedoeling niet verwezenlijkt, waarvoor verschillende mogelijke oorzaken kunnen worden aangewezen. Een mogelijke oorzaak is dat de schuld niet heeft bestaan. Dat doet zich voor wanneer de overeenkomst die tot een betaling verplicht nooit heeft bestaan, nietig of met terugwerkende kracht vernietigd is. Verder kan worden gedacht aan gevallen waarin de schuld aan een andere persoon had moeten worden voldaan dan aan degene die heeft ontvangen (A moet aan B en niet aan C betalen). Ook kan de verbintenis hebben verplicht tot een andere prestatie dan is verricht. In al deze gevallen kan de presterende partij zich beroepen op de condictio indebiti, verreweg de belangrijkste Leistungskondiktion.
Met behulp van de bedoeling om een schuld na te komen kan een verband worden gelegd tussen aan de ene kant de Leistung en aan de andere kant de rechtsverhouding tussen de verrijkingsschuldeiser en verrijkingsschuldenaar op grond waarvan de prestatie wordt verricht. Hoewel de rechtsverhouding niet zelf de rechtsgrond is, is de rechtsverhouding wel bepalend voor het antwoord op de vraag of er een schuld is. De rechtsverhouding is daardoor bepalend voor de vraag of de bedoeling tot schulddelging is verwezenlijkt en daarmee of er een rechtsgrond is voor het behouden van de Leistung.
In bepaalde gevallen wordt de bedoeling om een schuld na te komen wel gerealiseerd, maar vervalt niettemin de rechtsgrond die aan de Leistung ten grondslag lag. Dat doet zich voor wanneer na het verrichten van de Leistung blijkt dat de bedoeling om een schuld na te komen niet blijvend kan worden verwezenlijkt. Stel bijvoorbeeld dat een verzekeraar vergoeding uitkeert aan de eigenaar van een verloren of gestolen zaak, zonder dat de eigendom van de zaak wordt overgedragen aan de verzekeraar. Wanneer later de zaak weer terugkomt bij de eigenaar kan de verzekeraar de uitkering terugvorderen.1 De vordering waarmee de Leistung kan worden teruggevorderd, staat bekend als de condictio ob causam finitam. De groep gevallen die door deze condictie wordt bestreken is echter klein. De meeste gevallen waarin een rechtsgrond achteraf blijkt te ontbreken, zijn gevallen waarin een overeenkomst wordt ontbonden of vernietigd. In die gevallen zal niet de condictio ob causam finitam maar een vordering tot ongedaanmaking na ontbinding (§346) of een condictio indebiti moeten worden ingesteld.2