Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.1
8.3.1.1 Heffing van erfbelasting van ANBI’s
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232425:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 is de ministeriele regeling opgenomen in de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Niet voldoen aan deze eisen leidt tot verlies van de ANBI-status, Hof Arnhem-Leeuwarden 1 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1538, V-N 2016/29.18.8.
HR 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ0525, BNB 2012/89, m.nt. I.J.F.A. van Vijfeijken. De uitspraak van de Hoge Raad had betrekking op het jaar 2004 toen gold als eis dat dat de doelstelling voor minimaal 50% moet zijn gericht op het algemeen belang. Sinds 1 januari 2010 moet de doelstelling voor 90% of meer gericht zijn op het algemeen belang.
Kamerstukken II 2011-2012, 33006, nr.6, p. 10. In zijn arrest van 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ0525, BNB 2012/89, oordeelde de Hoge Raad in gelijke zin.
Als de ANBI-regeling, de regeling voor de algemeen nut beogende instelling, van toepassing is op de bij dode opgerichte stichting, is zij vrijgesteld van heffing van de erfbelasting (artikel 32 lid 1 onder 3° Sw 1956). De regels om als ANBI aangemerkt te worden zijn daardoor van groot belang voor de erflater die het algemeen nut wil bevorderen.
Sinds 2012 is de omschrijving van een ANBI opgenomen in artikel 5b AWR. Op basis van artikel 5b lid 8 AWR kunnen voor de toepassing van artikel 5b lid 4 tot en met 7 AWR bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het ANBI-regime.1 De minister heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt in artikel 1a UR AWR 1994 tot en met artikel 1e UR AWR 1994. Slechts door de inspecteur als zodanig aangewezen instellingen kwalificeren als ANBI (artikel 5b lid 1 onderdeel a onder 3˚ AWR), de zogenoemde rangschikking.
Rangschikking als ANBI is slechts mogelijk als aan een dubbele materiële eis wordt voldaan. In de eerste plaats is vereist dat de instelling het algemeen nut beoogt (kwaliteitseis). Dit vormt een materiële eis omdat het niet gaat om het formele doel maar om de vraag naar de feitelijke doel (vgl. ook 4.3.2.1). Voorts is het noodzakelijk dat de instelling het algemeen nut in voldoende mate nastreeft (kwantiteitseis).2 Dit is in de parlementaire behandeling van de Geefwet door de staatssecretaris van Financiën bevestigd.3
Hierna behandel ik enkele aspecten van de ANBI-regeling die van belang kunnen zijn voor de bij dode opgerichte stichting. De onderwerpen die aan de orde komen zijn:
de vraag of bij de bij dode opgerichte stichting sprake is van algemeen nut beogen. Hierbij komt aan de orde de regeling van artikel 1b UR AWR 1994 (de anti-oppoteis); en
het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 2014 (nr. BLKB2014/1415M, onderdeel 3) dat voor de toepassing van de belastingheffing de mogelijkheid biedt na het overlijden van de erflater de statuten van een bij dode opgerichte stichting alsnog in overeenstemming te brengen met de eisen gesteld aan een ANBI.
8.3.1.1.1 Wanneer beoogt de bij dode opgerichte stichting het algemeen nut?8.3.1.1.2 Het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 19 december 20148.3.1.1.3 De anti-oppoteis van artikel 1b UR AWR 1994