Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.8
9.8 Veranderingen in de wijze van proces voeren onder invloed van de ICT
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Bij Wet van 16 juli 2005 is een wet ingevoerd die het mogelijk maakt om personen te horen door middel van een videoconferentie (Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met het gebruik van de videoconferentie in het strafrecht, Stb. 2005, 388 (i.w.tr. 1 januari 2007)).
Op deze wijze kunnen slachtoffers worden behoed voor een herhaalde traumatisering als gevolg van een fysieke confrontatie met de verdachte.
Wiersinga 2005, p. 1837.
Jordaans 2005, p. 290. Zie ook Wiersinga 2005, p. 1836.
Maat 2005, p. 19.
Hoewel de bereidheid onder rechters om in geval van discussie alsnog zelf de stukken of beelden te aanschouwen, lijkt toe te nemen.
Dat neemt niet weg dat de rechter deze informatie wel weer onder woorden dient te brengen in zijn schriftelijk vonnis.
Het is overigens een onjuiste gedachte dat informatie vastgelegd met behulp van de techniek wel geheel ‘objectief’ is. Zie meer in detail Dubelaar & Vanderveen 2009.
Garé en Nijboer 1999, p. 882.
Van den Hoven 2010, p. 19.
Onder invloed van de ICT is de wijze van proces voeren en de vorm waarin informatie wordt aangeboden aan de rechter aan het veranderen. Technische hulpmiddelen doen in toenemende mate hun intrede in het strafproces. Daarbij gaat het niet alleen maar om technieken ten behoeve van de bewijsvergaring, zoals DNA-onderzoek, maar om ook technische hulpmiddelen bij de procedure. Zo maakt de techniek het mogelijk omgetuigen te horen op afstand met behulp van een live verbinding, de zogenaamde videoconferentie.1 De techniek biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid om kwetsbare getuigen te horen zonder dat deze lijfelijk aanwezig zijn op de terechtzitting.2 Tevens kunnen getuigen gemakkelijker vanuit het buitenland worden gehoord, waardoor de kosten van een rogatoire commissie bespaard blijven. Voor wat betreft de verslaglegging van getuigenverhoren geldt dat de audiovisuele registratie een belangrijk controlemiddel is of zelfs een alternatief kan vormen voor de in het proces-verbaal neergelegde verklaring. In de eerste context (bijvoorbeeld videoconferentie) gaat het om een simultane communicatiewijze, in de tweede context (bijvoorbeeld registratie op dvd) gaat het om een conserverende functie van de techniek.
Het toenemende gebruik van technische hulpmiddelen in het strafproces en in het bijzonder bij het verhoor heeft consequenties voor de onmiddellijkheid van de procedure. Vanuit de literatuur is gesuggereerd dat de toenemende digitalisering – afgezet tegen de huidige Nederlandse praktijk van schriftelijke procesvoering – een toename van de onmiddellijkheid zou kunnen meebrengen, in die zin dat meer getuigen ter terechtzitting worden gehoord.3 Zo kunnen door middel van een videoconferentie getuigen worden gehoord in gevallen waarin de rechter nu wellicht genoegen zou nemen met de verklaring neergelegd in een proces-verbaal. Anderzijds kan bijvoorbeeld het horen met behulp van een videoconferentie – afgezet tegen de Anglo-Amerikaanse wijze van procesvoering waar getuigen in de regel wel op terechtzitting verschijnen – een vermindering van de onmiddellijkheid meebrengen, als gevolg van ‘het verlies van andere communicatiemogelijkheden waar de mens gebruik van maakt en die niet direct ondervangen kunnen worden met een directe beelden geluidsverbinding’.4
Een andere ontwikkeling die in potentie verstrekkende gevolgen heeft voor de wijze van proces voeren ter zitting, betreft de introductie van het digitaal dossier en de inrichting van ‘digitale’ zittingszalen. Met de digitalisering van het dossier wordt het eenvoudiger om audiovisuele registraties en geluidsfragmenten in het dossier op te nemen en die vervolgens af te spelen.5 De aard van de informatie neergelegd in het dossier zal daarmee deels veranderen. Nu is het gebruikelijk dat gegevens die kunnen worden ontleend aan voorwerpen of ander ‘tastbaar’ materiaal, worden opgetekend door een opsporingsambtenaar in een proces-verbaal van bevindingen. In een dergelijk geval beschrijft de politiefunctionaris bijvoorbeeld hoe het wapen eruitziet of wat er op de camerabeelden te zien valt. Het gaat hier om het ‘verbaal maken’ (verbaliseren) van informatiebronnen door vastlegging op schrift ten behoeve van het bewijs. Met het beschrijven van een voorwerp of beeltenis vindt in feite telkens een transformatie plaats van beeld naar taal. De rechter zal in de regel ter terechtzitting niet zelf het wapen of de camerabeelden aanschouwen, maar veelal gebruikmaken van de beschrijvingen van anderen neergelegd in het schriftelijke dossier.6 Het digitale dossier brengt grotere mogelijkheden mee om visuele informatie op te nemen en doet de noodzaak deze informatie verbaal te maken – ten behoeve van kennisname door de rechter – verminderen.7 Dit is ook van betekenis voor de onmiddellijkheid van de procedure, daar het een meer rechtstreekse kennisname van de inhoud van de bewijsbron mogelijk maakt en de toegang tot het oorspronkelijke materiaal wordt vergroot. De rechter is niet meer afhankelijk van personen die functioneren als intermediair tussen hem en het authentieke bewijsmateriaal.8
De introductie van de videoconferentie en de mogelijkheden van audiovisuele registratie van verhoren kan tot een ander soort onmiddellijkheid leiden, hetgeen mede van betekenis is voor de wijze waarop tegen het concept van onmiddellijkheid wordt aangekeken. Nijboer en Garé merken in dit verband op dat met de opkomst van de audiovisuele techniek het onmiddellijkheidsbeginsel aanmerkelijk complexer is geworden. Het (formele) onmiddellijkheidsbeginsel dat betrekking heeft op de vorm van informatieoverdracht op de terechtzitting, krijgt een ander karakter door de invoer van hulpmiddelen in de mondelinge overdracht (eventueel versterkt door visuele overdracht). Door het gebruik van technische hulpmiddelen die een verbinding tussen de getuige en de terechtzitting mogelijk maken, wordt de ‘fysieke’ onmiddellijkheid minder noodzakelijk. Waar bij het strikt hanteren van het formele onmiddellijkheidsbeginsel handeling, tijd en plaats samenvallen (de getuige wordt in real time ten overstaan van de rechter in de rechtszaal gehoord), maken technische hulpmiddelen een splitsing naar tijd en plaats mogelijk, waarbij de toegang van de rechter tot de meest authentieke bron van informatie blijft gewaarborgd.9 Doordat een getuige nu ook op afstand kan worden gehoord is de eenheid van het onderzoek ter terechtzitting weliswaar afgenomen, maar dat hoeft niet ten koste te gaan van de materiële waarheidsvinding. Zo bezien doen functionele varianten in de overdracht van informatie, mits deze op deugdelijke wijze geschiedt, niet zonder meer afbreuk aan het streven dat aan het onmiddellijkheidsbeginsel ten grondslag ligt om alleen gebruik te maken van het ‘beste’ bewijsmateriaal.
Het is waarschijnlijk dat de rechter met de inzet van de techniek en de ontwikkelingen rondom het digitale dossier meer zal worden blootgesteld aan beeld en geluid en dat er in bepaalde gevallen een meer rechtstreekse interactie met procesdeelnemers tot stand kan worden gebracht. Aangenomen mag worden dat meer rechtstreekse toegang tot het authentieke materiaal in het bestaande strafproces de kwaliteit van de rechterlijke beslissing ten goede zal komen. Beelden staan echter onder meer verdenking de rechterlijke overtuiging op ‘oneigenlijke’ wijze te beïnvloeden dan schriftelijk materiaal.10 De vraag is dan ook of de voordelen van rechtstreekse kennisname opwegen tegen eventuele nadelige effecten van de techniek. Bezien vanuit de bestaande procesverbaalcultuur en de gebreken die plegen te kleven aan processen-verbaal (zie hoofdstuk 10) moet het antwoord naar alle waarschijnlijkheid bevestigend luiden. Wat met de inzet van audiovisuele techniek wordt gewonnen – rechtstreekse toegang tot het bewijs – lijkt belangrijker dan wat verloren dreigt te gaan, namelijk een zekere mate van afstandelijkheid. Dat geldt in ieder geval voor die gevallen waarin de techniek de functie vervult van het conserveren van bewijs, waardoor het proces-verbaal niet meer de enige kenbron is. Voor die gevallen waarin met de techniek meer een eigen werkelijkheid wordt gecreëerd (bijvoorbeeld bij animaties en reconstructies) is dat minder evident. Dit heeft in ieder geval niet rechtstreeks invloed op de onmiddellijkheid van de procedure. De meerwaarde is vooral gelegen in het vergroten van het begrip van de rechter van de inhoud van het bewijs, maar onze wetenschappelijke kennis daarover is beperkt. Het is van belang om inzicht te krijgen in de processen die met verschillende presentatievormen gepaard gaan, mede ook zodat beleidsmakers hun beleid hier op kunnen inrichten en eventuele nadelen kunnen worden ondervangen. De uitdaging zal zijn om de techniek op zodanige wijze in te zetten dat zij het vermogen van de rechter om bewijs te toetsen en te begrijpen vergroot, zodat de techniek ook een daadwerkelijke bijdrage levert aan de accuratesse van het rechterlijk beslisproces.