Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.5.7
5.2.5.7 Getuige is onvindbaar
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 27 februari 2014, appl.no. 5699/11 (Lučić/Kroatië), § 73 en 79; EHRM 22 november 2012, appl.no. 46203/08 (Tseber/Tsjechië), § 48.
EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/00 (Bonev/Bulgarije), § 44. In EHRM 5 februari 2009, appl.no. 13769/04 (Makeyev/Rusland), § 41 concludeerden de autoriteiten dat een getuige Rusland had verlaten op basis van de enkele afwezigheid op het opgegeven adres en de verklaring van een buurman dat zij was verhuisd, vermoedelijk naar Oekraïne. Daarmee ging het EHRM niet akkoord, nu geen enkele poging was gedaan om haar verblijfplaats op te sporen.
Hij kan ondertussen op een ander adres wonen.
EHRM 27 februari 2014, appl.no. 5699/11 (Lučić/Kroatië), § 73.
EHRM 13 april 2006, appl.no. 17902/02 (Zentar/Frankrijk), § 30.
Vgl. EHRM 2 november 2010, appl.no. 22502/02 (dec.) (Karulis/Letland), § 34.
Vgl. EHRM 1 maart 2011, appl.no. 27335/04 (Nevruz Bozkurt/Turkije), § 56.
EHRM 31 augustus 1999, appl.no. 35253/97 (dec.) (Verdam/Nederland); ECRM 27 februari 1995, appl.no. 23229/94 (H.H./Nederland).
EHRM 12 april 2007, appl.no. 11423/03 (Pello/Estland), § 34.
EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/00 (Bonev/Bulgarije), § 44.
EHRM 13 april 2006, appl.no. 17902/02 (Zentar/Frankrijk), § 30; EHRM 14 juni 2005, appl.no. 69116/01 (Mayali/Frankrijk), § 35.
EHRM 16 november 2006, appl.no. 46503/99 (Klimentyev/Rusland), § 30.
EHRM 25 april 2013, appl.no. 27100/03 (Ivanov/Rusland), § 46.
EHRM 25 april 2013, appl.no. 27100/03 (Ivanov/Rusland), § 46. In EHRM 17 februari 2011, appl.no. 33780/04 (Kononenko/Rusland), § 68 bestond een aanwijzing dat de getuige was verhuisd naar een andere regio van Rusland. De rechter had het openbaar ministerie opgedragen een onderzoek in te stellen naar zijn nieuwe adres, maar had een maand later de verdachte desondanks veroordeeld, zonder dat de informatie van het openbaar ministerie was afgewacht.
EHRM 31 augustus 1999, appl.no. 35253/97 (dec.) (Verdam/Nederland); ECRM 27 februari 1995, appl.no. 23229/94 (H.H./Nederland).
EHRM 22 november 2012, appl.no. 46203/08 (Tseber/Tsjechië), § 49; EHRM 5 april 2005, appl.no. 39209/02 (dec.) (Scheper/Nederland); EHRM 28 augustus 1992, appl.no. 13161/87 (Artner/Oostenrijk), § 21.
EHRM 14 januari 2010, appl.no. 23610/03 (Melnikov/Rusland), § 82.
EHRM 3 april 2012, appl.no. 18475/05 (Chmura/Polen), § 50.
EHRM 7 januari 2007, appl.no. 47986/99 (Gossa/Polen), § 59.
In EHRM 5 oktober 2006, appl.no. 22625/02 (dec.) (Mironov/Rusland), p. 21 hadden de Russische autoriteiten informatie ingewonnen bij de Moldavische autoriteiten. Deze hadden echter niet op tijd gereageerd, waarvan de Russische autoriteiten geen verwijt kon worden gemaakt.
EHRM 7 januari 2007, appl.no. 47986/99 (Gossa/Polen), § 58-61. In EHRM 22 november 2012, appl.no. 46203/08 (Tseber/Tsjechië), § 14-14 en 49 was onder andere de assistentie van Interpol ingeroepen, was het centraal register van gedetineerden geraadpleegd en was de vreemdelingenpolitie ingeschakeld om een beslissende getuige met de Oekraïense nationaliteit op te sporen. Zie verder EHRM 21 maart 2002, appl.no. 17426/02 (Calabrò/Italië & Duitsland) en EHRM 2 februari 1999, appl.no. 31913/96 (dec.) (Saric/Denemarken), p. 14.
EHRM 10 april 2012, appl.no. 8088/05 (Gabrielyan/Armenië), § 83-84.
EHRM 4 november 2008, appl.no. 22695/03 (Demski/Polen), § 43. Vergelijkbaar zijn EHRM 8 maart 2007, appl.no. 53897/00 (Dănilă/Roemenië), § 58-59 en 63 en EHRM 24 februari 2009, appl.no. 3584/02 (Tarău/Roemenië), § 74.
EHRM 20 april 2010, appl.no. 45756/05 (Novikas/Litouwen), § 6, 9 en 34.
EHRM 17 april 2012, appl.no. 43609/07 (Fąfrowicz/Polen), § 56.
Zie verder EHRM 13 januari 2009, appl.no. 35556/05 (Makuszewski/Polen), § 43-45. De niet-beslissende getuige in deze zaak was teruggekeerd naar haar geboorteland. Zij had een nieuw adres achtergelaten, maar bleek daar niet te wonen. Het EHRM stelde vast dat de nationale autoriteiten daarom de aanwezigheid van de getuige ter zitting niet konden realiseren en dat hen daarvan geen verwijt kon worden gemaakt. Uit het arrest blijken geen pogingen om de getuige via de Wit-Russische autoriteiten te traceren. Zie ten slotte ook EHRM 20 juli 2010, appl.no. 17095/02 (Balčiūnas/Litouwen), § 27, 31-32 en 107.
EHRM 18 mei 2010, appl.no. 231/07 (Ogaristi/Italië), § 12-15 en 61 past niet in dit beeld. In deze zaak was de beslissende getuige, die zich in een getuigenbeschermingsprogramma bevond, op vakantie gegaan naar Albanië en had hij laten weten dat hij niet meer zou terugkeren naar Italië. De Italiaanse autoriteiten hadden hem vervolgens uit het getuigenbeschermingsprogramma gehaald. Uit het arrest blijkt geen enkele activiteit om de getuige in Albanië op te sporen. Het EHRM stelde eenvoudigweg vast dat de getuige onvindbaar was geworden. In dit geval was aannemelijk dat de getuige onvindbaar wilde zijn. Mogelijk was dat voor het EHRM aanleiding om geen zoekactie in Albanië te verlangen.
Algemeen
De nationale autoriteiten moeten alles hebben gedaan wat redelijkerwijs van hen kon worden verwacht om ervoor te zorgen dat de verdediging een getuige zou kunnen ondervragen.1 Er zal daarom niet snel mogen worden aangenomen dat een getuige onvindbaar is.
Getuige bevindt zich vermoedelijk in binnenland
Wanneer een getuige zich naar verwachting in de staat bevindt waar het strafproces wordt gehouden, zal de eerste actie van de autoriteiten om de getuige te laten verschijnen het oproepen van de getuige zijn. Geeft de getuige daaraan geen gevolg, dan mag uit dat enkele gegeven niet de conclusie worden getrokken dat de getuige onvindbaar is.2 Het is immers mogelijk dat de getuige geen zin heeft om te verschijnen, de oproeping niet heeft ontvangen3 of om een andere reden niet heeft gereageerd op de oproeping. Pas als tevergeefs alle redelijkerwijs te vergen inspanningen zijn geleverd om een getuige te bereiken, kan worden vastgesteld dat de getuige onvindbaar is.4
Heeft een getuige een adres opgegeven aan justitie, dan zal hij ook op dat adres moeten worden gezocht.5 Zijn meer adressen bekend, dan zullen deze adressen ook allemaal moeten worden nagegaan.6 Om de politie in staat te stellen de getuige op te sporen, zal de zitting moeten worden geschorst wanneer de getuige niet is verschenen.7 Is een bevel tot medebrenging gegeven, dan zal het ehrm dat ten gunste van de autoriteiten uitleggen, al zal het niet altijd voldoende zijn.8 Het uitblijven ervan zal de autoriteiten daarentegen worden tegengeworpen.9 Bestaan andere wettelijke mogelijkheden om getuigen op te sporen, dan moeten deze ook worden benut. Zo bestaat in Bulgarije de bevoegdheid om een getuige zonder vaste woon- of verblijfplaats onder dwang over te brengen naar een plaats van verhoor. In de zaak Bonev verweet het ehrm de Bulgaarse regering dat van die bevoegdheid bewust geen gebruik was gemaakt.10 In de zaken Zentar en Mayali verweet het ehrm de Franse autoriteiten dat geen agent opdracht had gekregen om de getuige te lokaliseren, hoewel het Franse Wetboek van Strafvordering daarover een bepaling bevatte.11 Een getuige kan soms worden getraceerd door familie of kennissen van de getuige12 of zijn werkgever13 te verhoren. De daarbij verstrekte informatie moet dan wel worden nagetrokken.14 Ook het ter zitting horen van de politieambtenaar die heeft geprobeerd een getuige op te sporen, werd door het ehrm gewaardeerd.15 De rechter liet op die manier zien dat het opsporen van de getuige hem ernst was.
Wanneer de rechter de instructie geeft aan het openbaar ministerie om alle mogelijke inspanningen te doen om de getuige te traceren, zal het ehrm niet snel concluderen dat de autoriteiten nalatig zijn geweest.16 Dat kan anders zijn wanneer aan die opdracht geen gevolg is gegeven. Zo was in de zaak Melnikov weliswaar een arrestatiebevel uitgevaardigd met betrekking tot de getuige, maar was niet gebleken dat enige maatregel was getroffen om de getuige daadwerkelijk op te sporen. De rechter had daar volgens het ehrm een onderzoek naar moeten instellen.17
Is een getuige een buitenlandse onderdaan, dan zal soms bijstand kunnen worden gevraagd aan de buitenlandse autoriteiten om de getuige te lokaliseren. In de zaak Chmura was de Bulgaarse ambassade in Polen ingeschakeld om een getuige met de Bulgaarse nationaliteit op te sporen, van wie bekend was dat hij in Polen woonde. Mede omdat de politie was ingeschakeld om de getuige op te sporen, oordeelde het ehrm dat de Poolse autoriteiten voldoende activiteiten hadden ontplooid.18
Getuige bevindt zich vermoedelijk in buitenland
Getuigen die naar een ander land vertrekken, melden hun verblijfplaats in dat land niet altijd bij de justitiële autoriteiten in het land waarin zij als getuige hebben opgetreden. Het kan in dat geval onmogelijk blijken te zijn de getuige te traceren. Het ehrm heeft daarvoor begrip, maar acht wel van belang of de autoriteiten voldoende inspanningen hebben verricht om de verblijfplaats van de getuige in het buitenland op te sporen. Omdat staten niet de bevoegdheid hebben om een getuige op te sporen op het grondgebied van een andere staat,19 zijn zij dikwijls afhankelijk van de hulp van de buitenlandse autoriteiten.
In de zaak Gossa was een getuige met de Amerikaanse nationaliteit naar de Verenigde Staten teruggekeerd. Hij had een adres opgegeven aan het Poolse openbaar ministerie, maar dat bleek vals te zijn. De rechter had tweemaal bij de Amerikaanse ambassade om inlichtingen gevraagd over de verblijfplaats van de getuige.20 Daarnaast had hij geprobeerd de verblijfplaats te achterhalen door een onderzoek te laten instellen door het Poolse consulaat in Los Angeles. Het ehrm overwoog dat de Poolse autoriteiten alle mogelijkheden hadden benut die hen ter beschikking stonden, maar zonder resultaat. Daarmee hadden zij aan hun inspanningsverplichting voldaan.21 In de zaak Gabrielyan was bekend dat een getuige naar Rusland was gegaan. De Armeense rechter had echter geen inspanningen gedaan om hem daar te traceren en had genoegen genomen met de verklaring van de vrouw van de getuige dat ook zij zijn verblijfplaats niet kende. Het ehrm ging daarmee niet akkoord en overwoog dat de rechter zijn toevlucht had moeten nemen tot internationale rechtshulp.22 In de Poolse zaak Demski was bekend dat de getuige bij haar moeder in Duitsland was gaan wonen. Haar oma had daaromtrent een verklaring afgelegd. Ook was bekend dat zij in Duitsland een medische behandeling had ondergaan. Desondanks volstonden de Poolse autoriteiten met het sturen van een dagvaarding naar de getuige op haar laatstbekende adres in Polen. Het ehrm oordeelde: ‘It thus appears that M.H.’s address in Germany was either known to the trial court or could have been easily obtained (...). In spite of this, the authorities did not make any effort to determine the actual address of M.H. which was a precondition for serving a summons on a witness residing abroad’.23
In sommige gevallen neemt het ehrm opmerkelijk snel genoegen met de enkele constatering dat de getuige onvindbaar was, ook wanneer de buitenlandse autoriteiten niet om hulp is verzocht. Zo stelde het ehrm in het arrest Novikas als feit vast: ‘S.N. was never found again.’ Uit het arrest blijkt niet van enige activiteit om deze getuige om te sporen. Het ehrm overwoog desondanks: ‘the Court cannot overlook the fact that it became impossible for the authorities to have these witnesses examined at court hearings due to factual circumstances.’24 In de zaak Fa˛frowicz bevond de getuige zich in de Verenigde Staten. Het ehrm overwoog dat niet aan de Poolse autoriteiten kon worden verweten dat zij geen verzoek tot internationale rechtshulp hadden gedaan, aangezien zij niet op de hoogte waren van het adres van de getuige in de Verenigde Staten.25 Kennelijk hoefde bij die stand van zaken niet te worden geprobeerd om de getuige te traceren door tussenkomst van de Amerikaanse autoriteiten, eventueel via diplomatieke betrekkingen, zoals in de zaak Gossa.
Op het eerste gezicht lijken de hiervoor besproken beslissingen van het ehrm weinig consistent te zijn. Dat beeld wordt echter anders wanneer het belang van de getuigenverklaringen in aanmerking wordt genomen. In de zaken Novikas en Fąfrowicz waren de getuigenverklaringen niet van beslissende betekenis.26 Daarom hoefden relatief weinig inspanningen te worden gedaan om een ondervragingsgelegenheid te bieden. In de zaken Gossa, Gabrielyan en Demski waren de veroordelingen in beslissende mate gebaseerd op de verklaringen van de betwiste getuigen. Vermoedelijk daarom waren de autoriteiten gehouden om al het redelijkerwijs mogelijke te doen om de getuigen te traceren.27