Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.4.2
3.4.2 Subject van heffing
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS345474:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Anders Zwemmer (2001) die van mening is dat de successiebelasting (nu erfbelasting) meer kenmerken vertoont van een laatste belasting van het vermogen van de erflater dan kenmerken van een belasting van de verkrijgers daarvan.
Dit komt in meer bijdragen van haar terug. Zie Van Vijfeijken (2008a) voor de meest recente bijdrage waarin zij op deze problematiek ingaat. Ze gaat daarbij in op de problemen die het aansluiten bij de woonplaats van de verkrijger zou oproepen.
Van Vijfeijken (2008a).
Tenzij art. 3, eerste lid, SW 1956 van toepassing is. Deze woonplaatsfictie komt hierna nog aan de orde.
Een mismatch kan ook ontstaan omdat het erfrecht in internationale zin afwijkt. Zie Kavelaars (2002), blz. 222.
Nederland heeft daartoe met verschillende landen een belastingverdrag gesloten. Anders geldt het BvdB 2001. Zie uitgebreider Kavelaars (2002), paragraaf 6.3.
http://ccff02.minfin.fgov.be/KMWeb/browseCategory.do?method=browse¶ms.selected- CategoryId=4450 (artikel 1).
Zie ook Sonneveldt en De Kroon (2008).
Tekst 1982 (artikel 1).
O.a. Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika. Zie o.a. Sonneveldt en Zuiderwijk (2005).
De HR heeft inmiddels, in navolging van HvJ EG 23 februari 2006, zaak C-513/03, BNB 2006/194, beslist dat het nationaliteitsbeginsel niet in strijd is met het EG-recht (HR 22 december 2006, nr. 39 261, BNB 2007/113). Al eerder besliste de HR dat het nationaliteitsbeginsel niet in strijd is met art. 26 IVBPR (HR 10 juni 1992, nr. 27 702, BNB 1992/258) en art. 14 EVRM (PW 20 117).
In dit onderzoek is van belang wie moet worden belast met erf- en schenkbelasting als een onderneming wordt overgedragen door overlijden of door schenking. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de oudste van de twee belastingen, de erfbelasting. Daarna wordt het subject van heffing voor de schenkbelasting besproken in zoverre er verschillen bestaan met de erfbelasting.
De heffing sluit op grond van art. 36 SW 1956 aan bij de verkrijger, hetgeen overigens ook blijkt uit art. 1 SW 1956 waar gesproken wordt over hetgeen wordt verkregen. Het is daarbij niet van belang waar de verkrijger woont. Dit vloeit voort uit art. 1 SW 1956 waarin is bepaald dat de woonplaats van de erflater ten tijde van het overlijden bepalend is.1 De erflater moet ten tijde van het overlijden binnen Nederland hebben gewoond. Bij een belasting die is gericht op het belasten van de verkrijger, zou men verwachten dat wordt aangesloten bij de woonplaats van de verkrijger.2 Van Vijfeijken is een groot voorstander om de woonplaats van de verkrijger bepalend te laten zijn.3 Zij beargumenteert dit op basis van het draagkrachtbeginsel. Het zou onbegrijpelijk zijn als een in Nederland wonende verkrijger niet wordt belast omdat de erflater in het buitenland woont.4 Naar mijn mening gaat dit niet altijd op. Als de desbetreffende fiscale wetgeving in het buitenland ook aansluit bij de woonplaats van de erflater, wordt de in Nederland wonende verkrijger wel degelijk belast. Heffing over zijn draagkrachtvermeerdering vindt dan alleen in het buitenland plaats. Dit laat onverlet dat Nederland niet kan heffen als in Nederland wonende verkrijgers een in Nederland gevestigde onderneming verkrijgen van een in het buitenland wonende erflater.5 Het gaat er dan echter niet om of naar draagkracht wordt geheven maar welk land kan heffen. Als wordt aangesloten bij de woonplaats van de verkrijger leidt dit, zoals Van Vijfeijken terecht aangeeft, internationaal gezien tot een mismatch als het andere land blijft uitgaan van de woonplaats van de erflater. Dubbele heffing of een heffingsvacuüm kan het gevolg zijn.6, 7 Veel landen, waaronder België,8 gaan uit van de woonplaats van de erflater.9 Ook het OESO-modelverdrag inzake successie en schenking10 sluit aan bij de woonplaats van de erflater. Sommige landen kennen daarbij, in meer of mindere mate, ook nog gewicht toe aan de nationaliteit.11 Ook in Nederland speelt het nationaliteitsbeginsel een rol. Op grond van art. 3, eerste lid, SW 1956 wordt een Nederlander die de afgelopen tien jaar in Nederland heeft gewoond maar op het moment van het overlijden niet meer, ten tijde van het overlijden geacht in Nederland te hebben gewoond.12 Alhoewel het vanuit het systeem van een verkrijgingsbelasting voor de hand zou liggen aan te sluiten bij de woonplaats van de verkrijger, beschouw ik het in dit onderzoek als gegeven dat wordt aangesloten bij de woonplaats van de erflater. Dit betekent dat bij de toetsing van de huidige bedrijfsopvolgingsfaciliteit en in een eventueel voorstel tot aanpassing van de faciliteit wordt voortgeborduurd op een heffing bij de verkrijger die afhankelijk is van de woonplaats van de erflater.
Ook bij de schenking van een onderneming is de woonplaats van de schenker bepalend (art. 1 SW 1956). De hiervoor besproken discussie of beter zou kunnen worden uitgegaan van de woonplaats van de verkrijger geldt ook hier. Naast de in het eerste lid van art. 3 SW 1956 opgenomen woonplaatsfictie geldt specifiek voor schenkingen nog een tweede woonplaatsfictie (art. 3, tweede lid, SW 1956). Eenieder die in Nederland heeft gewoond en binnen een jaar nadat hij Nederland heeft verlaten een schenking heeft gedaan, wordt geacht ten tijde van het doen van de schenking in Nederland te hebben gewoond.