Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.2.1
4.2.1 Een stukje geschiedenis
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495332:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 2.2.
Besluit nr. 161 van de Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën van 17 december 1940, Verordeningenblad 242/1940, S. No S. 43. De door mij geraadpleegde versie van het besluit is te vinden in een 1350 pagina’s tellende druk van de Vakstudie van 1 oktober 1947 (Vakstudie deel XIX (Omzetbelasting)), bewerkt door E.J.H. Volkmaars, destijds hoofdinspecteur-titulair van ’s rijksbelastingen, en – geheel terzijde – een volle neef van de naamgever van de maatschap Loyens & Volkmaars, een voorloper van het huidige Loyens & Loeff NV (Volkmaars 1979).
Opgenomen op p. 253 van de door mij geraadpleegde versie.
Vgl. paragraaf 3.3.1.
Vgl. paragraaf 3.3.3.1.1 en paragraaf 4.3.1.1.4.
Art. 29 Wet OB 1968 vindt zijn oorsprong in de Omzetbelastingwet 1933. Op grond van deze wet werd met ingang van 1 januari 1934 een fabrikantenbelasting geheven.1 Art. 20 Omzetbelastingwet 1933 voorzag in een teruggaafregeling. Deze luidde:
“Van belasting, welke (...) is betaald, wordt teruggaaf verleend:
Ten aanzien van bedragen, welke zijn betaald over verkoopprijzen van goederen, die door den kooper zijn geweigerd en door den fabrikant zijn teruggenomen.
Ten aanzien van bedragen of gedeelten van bedragen, welke zijn betaald over verkoopprijzen van goederen, die in ongebruikten staat door den fabrikant van den kooper worden teruggenomen, voorzover deze kooper de goederen had aangeschaft met bestemming voor wederverkoop.
Ten aanzien van bedragen, die betrekking hebben op een na de levering door den fabrikant aan den kooper toegestane vermindering van den koopprijs.
(...).”
Een regeling voor oninbare vorderingen ontbrak. Onder druk van de bezetters werd de Omzetbelastingwet 1933 tijdens de Tweede Wereldoorlog vervangen door het Besluit op de omzetbelasting 1940. Op grond van dit besluit werd de omzetbelasting nadien geheven volgens een cumulatief cascadestelsel.2 De hiervoor bedoelde teruggaafregeling werd opgenomen in art. 16 Besluit op de omzetbelasting 1940:
In gevallen, waarin een ondernemer goederen in ongebruikten staat terugneemt van een afnemer, zoomede in gevallen waarin een ondernemer op den verkoopprijs, de aannemingssom of de vergoeding een vermindering verleent, wordt, op daartoe door den ondernemer gedaan verzoek, van de ter zake betaalde of te veel betaalde omzetbelasting teruggaaf verleend.
Mede wordt, op daartoe door den ondernemer gedaan verzoek, teruggaaf verleend van omzetbelasting, welke (...) teveel of ten onrechte is betaald.”
In de toelichting3 bij dit artikel werd opgemerkt dat de in dit artikel genoemde teruggaven naar hun aard in een drietal groepen konden worden onderverdeeld, namelijk (i) een recht op teruggaaf als de levering later ongedaan wordt gemaakt,4 (ii) een recht op teruggaaf in het geval dat de verkoopprijs, de aannemingssom of de vergoeding een vermindering ondergaat en (iii) een recht op teruggaaf voor belasting die te veel of ten onrechte is betaald. Met betrekking tot de tweede groep werd nog opgemerkt dat bedoelde vermindering zowel op zakelijke (kortingen, omzetpremies en dergelijke) als op persoonlijke (insolvabiliteit van de koper) gronden kon berusten.5 Hiermee werd dus (voorzichtig) voorzien in een teruggaafregeling wegens oninbaarheid van een vordering.