Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.6.3
8.6.3 Een genotsrecht als sterkste recht
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS383445:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Opgemerkt moet worden dat de bevoegdheden niettemin kunnen worden ingesnoerd omdat de wettelijke bepalingen van de rechten van vruchtgebruik, erfpacht en opstal ten dele het karakter van aanvullend recht hebben. Zie bijvoorbeeld art. 3:210, 5:89 en 5:103 BW. Partijen hebben derhalve de nodige vrijheid om nadere regels overeen te komen over de uitoefening van deze beperkte rechten.
Zie bijvoorbeeld Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/39.
Hoewel het recht van erfpacht in beginsel de volledige heerschappij van de zaak omvat, wordt in de praktijk ook wel gebruik gemaakt van de constructie waarin het genot wordt beperkt in de tijd – zo kan bijvoorbeeld elke gebruiker het genot verkrijgen gedurende een telkens weerkerende week per jaar – alsmede van de constructie van de zogenoemde ‘gestapelde erfpacht’, waarbij het genot bijvoorbeeld is beperkt tot een bepaalde verdieping van een gebouw. Zie Van Velten 2015, p. 543 en 567.
Zie PG Boek 5 BW, p. 71. Meijers achtte het uitdrukkelijk opnemen van de revindicatie niettemin gewenst om deze actie nader te regelen. Vanuit het oogpunt van de eigenaar impliceert deze motivering tevens dat ook andere uit de eigendom voortvloeiende rechtsvorderingen op art. 3:296 BW gebaseerd kunnen worden. Men denke aan de moderne actio negatoria, zie Van Es, diss. 2005, p. 190.
Zie PG Boek 3 BW, p. 895. Ter zake van de bevoegdheden van de vruchtgebruiker is in de parlementaire geschiedenis een uitdrukkelijke verwijzing naar de rechtsvordering van art. 3:296 BW te vinden. Zie PG Boek 3 BW, p. 671.
Zie Kaser I (1971), p. 446 en 473.
Zie voor de gerechtigde tot een erfdienstbaarheid D. 8,5,10,1 (Ulpianus), voor de vruchtgebruiker D. 7,6,5,1 (Ulpianus), voor de erfpachter D. 6,3,1,1 (Paulus) en voor de zekerheidsgerechtigde D. 20,1,10 (Ulpianus).
Zie het felle betoog van Meijers tegen het gebruik van de Romeinse terminologie in WPNR 1912/2240 en 2243.
Zie Kaser I (1971), p. 447.
Zie het in navolging van Meijers WPNR 1912/2240 gemaakte onderscheid in rechtsvorderingen bij Snijders & Rank-Berenschot 2017/460.
Suijling V, p. 169 merkt op dat de rechtsvorderingen rechtstreeks voortvloeien uit het zakelijke recht. Zie voorts Van Es, diss. 2005, p. 273, Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/ 112, Snijders & Rank-Berenschot 2017/460 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/473. Zie ook PG Boek 3 BW, p. 895, waaruit blijkt dat Meijers heeft beoogd art. 3:296 BW een ruim toepassingsbereik te geven.
De reële executie van een rechterlijke veroordeling – men denke aan de wijze van directe afdwinging dan wel indirecte executie door middel van een dwangsom – laat ik buiten beschouwing. Zie hierover Asser/Sieburgh 6-II 2017/346 e.v.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 15 september 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BJ7900 en Hof Den Haag 29 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2023.
Zie twee oude arresten van de Hoge Raad – 29 juni 1860, W 2185 en 15 juni 1883, W 4926 – waarin wordt aangenomen dat de vordering tot herstel haar grondslag vindt in het goederenrechtelijke recht.
Zie HR 17 april 1970, NJ 1971/89, m.nt. Ph.A.N. Houwing (Grensoverschrijdende garage).
Met de overweging van de Hoge Raad dat amotie kan worden gevorderd ‘ook al zou [gedaagde] bij de grensoverschrijding te goeder trouw zijn geweest’, wordt het goederenrechtelijke karakter duidelijk omdat de toekenning van de vordering niet afhankelijk wordt gesteld van toerekenbaarheid aan de gedaagde en evenmin afhankelijk is van de vraag of hij wist dan wel kon weten dat hij in strijd met het recht handelde. Hiermee wordt duidelijk onderscheiden van de delictuele grondslag, waarop de vordering ook wel wordt gebaseerd, bijvoorbeeld in HR 18 maart 1932, NJ 1932, 1329, m.nt. P. Scholten. Zie hierover Van Nispen, diss. 1978/49.
De strekking van schadevergoeding is bovendien dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht die zou hebben bestaan indien de onrechtmatige daad niet zou zijn gepleegd. Feitelijk herstel ligt in dezen meer voor de hand dan een vergoeding in geld. Zie Asser/Sieburgh 6-II 2017/21 en 31. Ook onder oud recht was het vaste rechtspraak dat bij een vordering uit onrechtmatige daad als schadevergoeding herstel van de rechtmatige toestand kon worden gevorderd. Zie HR 18 maart 1932, NJ 1932, 1333, m.nt. P. Scholten.
Zie hierover Van Nispen, diss. 1978/46.
Zie uitgebreid over deze vereisten Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/98.
Aangenomen kan worden dat de rechter – ofschoon schadevergoeding in geld de hoofdregel vormt – geen terughoudendheid hoeft te betrachten bij de toekenning van schadevergoeding in de vorm van herstel van de rechtmatige toestand. Zie Van Nispen, diss. 1978/46 en Asser/Sieburgh 6-II 2017/21.
Waar beperkte zekerheidsrechten naar hun aard slechts eenmaal worden uitgeoefend – namelijk indien tot uitwinning van het bezwaarde goed wordt overgegaan – geven beperkte genotsrechten bevoegdheden die in beginsel blijvend kunnen worden uitgeoefend.1 Mogelijke conflicten in de uitoefening van beperkte genotsrechten onderling kunnen zich derhalve ook buiten executiesituaties voordoen. Indien de gerechtigde tot het oudste genotsrecht in de uitoefening van zijn bevoegdheden wordt gestoord door een gerechtigde tot een later gevestigd recht, moet hij hiertegen kunnen ageren. Vanwege het absolute karakter van een goederenrechtelijk recht kan het beperkte recht worden gehandhaafd tegenover eenieder, waaronder ook gerechtigden tot later gevestigde genotsrechten. Overigens zal het antwoord op de vraag of de beperkt gerechtigde in de uitoefening van zijn recht wordt gestoord, sterk afhangen van het type genotsrecht. Grofweg kunnen de genotsrechten worden onderscheiden in enerzijds rechten die een beperkte bevoegdheid geven – te weten erfdienstbaarheden – en anderzijds rechten die in beginsel een recht op het volledige genot van het goed verschaffen, te weten de rechten van erfpacht, vruchtgebruik en opstal.2 Een recht van erfdienstbaarheid zal minder snel tot de onverenigbare uitoefening van verscheidene rechten leiden dan rechten die gepaard gaan met de volledige heerschappij.3 Het zal steeds van de feitelijke uitoefening van de bevoegdheden afhangen of genotsrechten met elkaar in conflict komen.
Indien de genotsrechten niet volledig tegelijkertijd kunnen worden uitgeoefend, staan de oudst gerechtigde verscheidene rechtsvorderingen ten dienste om zijn aanspraak uit het materiële recht te verwezenlijken. Zo kan in de eerste plaats een goederenrechtelijke actie tot afgifte of ontruiming van het goed worden ingesteld. Hoewel de wetgever in art. 5:2 BW een dergelijke actie – de revindicatie genoemd – alleen aan de eigenaar van een zaak toekent, komt aan een beperkt goederenrechtelijk gerechtigde evenzeer een eigen goederenrechtelijke rechtsvordering toe.4 Meijers vermeldt in de toelichting op art. 5:2 BW immers dat
‘de toekenning der in dit artikel genoemde rechtsvordering reeds besloten ligt in de bepalingen, die in het derde boek omtrent rechtsvorderingen in het algemeen worden gegeven, in het bijzonder art. [3:296 BW], […].5
In art. 3:296 BW heeft de wetgever ter verwezenlijking van een aanspraak uit het materiële recht een condemnatoire rechtsvordering opgenomen. Deze rechtsvordering is erop gericht iemand door de rechter te laten veroordelen tot de nakoming van een rechtsplicht. Uit de toelichting op art. 3:296 BW volgt dat de in dit artikel genoemde verplichting om iets te geven, te doen of na te laten
‘niet alleen het eigenlijke verbintenissenrecht bestrijkt, [maar] ook uit bepalingen van het zakenrecht […] kan voorvloeien’.6
Deze toelichting maakt duidelijk dat een op art. 3:296 BW gebaseerde vordering zich mede uitstrekt tot de nakoming van plichten die voortvloeien uit goederenrechtelijke rechten.
De goederenrechtelijke rechtsvordering kan worden herleid naar het Romeinse recht waarin onderscheid werd gemaakt tussen actiones in personam en actiones in rem. Naar Romeins recht beschikte elk van de goederenrechtelijk gerechtigden over een specifieke actio in rem naar het voorbeeld van de rei vindicatio.7 Zo konden de vruchtgebruiker en de gerechtigde tot een erfdienstbaarheid zelfstandig een actio confessoria instellen, kwam een erfpachter een rei vindicatio utilis toe en beschikten zekerheidsgerechtigden over de actio Serviana.8 Aan deze rechtsvorderingen komt echter onder het moderne recht een andere betekenis toe.9 In de Romeinse rechtspraktijk moest uitdrukkelijk een beroep worden gedaan op één van de erkende rechtsvorderingen, terwijl naar huidig procesrecht alleen de voor het intreden van het beoogde rechtsgevolg benodigde feiten hoeven te worden gesteld.10 Bovendien waren de Romeinsrechtelijke acties gericht op zowel de vaststelling door de rechter dat het recht bestond alsmede op de afgifte van de zaak dan wel het herstel van de situatie waarin de gerechtigde van de aan hem toekomende bevoegdheden gebruik kan maken.11 Naar huidig recht vallen deze Romeinse actiones in rem uiteen in verschillende rechtsvorderingen. Zo moet de vordering van een verklaring voor recht waarbij de rechter zoals bedoeld in art. 3:302 BW het bestaan of de omvang van het recht vaststelt – hetgeen uitmondt in een declaratoir vonnis – worden onderscheiden van de veroordeling – bij condemnatoir vonnis – tot afgifte van het goed.12
De verschillende goederenrechtelijke rechtsvorderingen ter handhaving van het recht vloeien voort uit het absolute karakter van het goederenrechtelijke recht en vinden hun wettelijke basis in art. 3:296 BW.13 Het zal van de feitelijke situatie afhangen met welke rechtsvordering de beperkt gerechtigde het best uit de voeten kan. De vordering tot afgifte van het goed die bij onroerende zaken bestaat in de ontruiming van de zaak, is denkbaar bij rechten die de volledige heerschappij van het goed omvatten.14 De gerechtigde tot een erfdienstbaarheid heeft daarentegen baat bij een vordering tot herstel van de situatie waarin uitoefening van de erfdienstbaarheid weer mogelijk is.15 Een dergelijke veroordeling tot herstel kan ook worden gevorderd door de eigenaar die in het volle genot van zijn eigendomsrecht wordt gestoord.16 Het herstel van de rechtmatige toestand kan onder omstandigheden bestaan – zoals in het Grensoverschrijdende garage-arrest – in de amotie van een grensoverschrijdend gebouwde garage.17 Hoewel dit arrest doorgaans in de sfeer van het leerstuk van misbruik van recht wordt genoemd – de bevoegdheid om amotie te vorderen wordt immers begrenst door het bepaalde in het huidige art. 3:13 BW – maakt dit arrest tevens duidelijk dat de veroordeling tot herstel jegens eenieder kan worden gevorderd die in strijd met het goederenrechtelijke recht handelt.18 De vordering tot herstel betreft dus een goederenrechtelijke rechtsvordering die op het goederenrechtelijke recht wordt gebaseerd en derhalve ook aan de gerechtigde tot een erfdienstbaarheid toekomt.
Aangezien een belemmering in de uitoefening van de bevoegdheden tevens een inbreuk op een recht oplevert, kan de beperkt gerechtigde zijn vordering ook op onrechtmatige daad baseren.19 De beperkt gerechtigde kan daarbij vorderen dat de schadevergoeding op grond van art. 6:103 BW niet in de vorm van betaling van een geldsom, maar in het herstel van de rechtmatige toestand zal worden toegekend.20 De benadeelde bevindt zich met zijn vordering op de grondslag van art. 6:162 BW wel in een lastigere bewijspositie.21 Hij moet immers stellen en zo nodig bewijzen dat de gedaagde tegenover hem onrechtmatig heeft gehandeld en dat de onrechtmatige daad aan hem kan worden toegerekend.22 Bovendien berust de toewijzing van schadevergoeding in een andere vorm dan de toekenning van een geldsom op een discretionaire bevoegdheid van de rechter.23 In tegenstelling tot een op art. 3:296 BW gebaseerde vordering tot herstel van de rechtmatige toestand, kan de rechter bij een persoonlijke vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad dus volstaan met een veroordeling tot schadevergoeding in geld.