Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.3.5.3
3.3.5.3 Verzekeringsplicht: algemeen
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398401:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder welke omstandigheden een motorrijtuig in een lidstaat ‘thuishoort’, komt aan de orde in par. 3.4.
Art. 1, punt 1 van de Richtlijn.
Zie voor de Nederlandse regeling par. 3.4.4.4.
Zie art. 1, punt 4 onder a van de Richtlijn. Bij tijdelijke platen gaat het veelal om exportplaten, douanekentekens en kentekens voor andere bijzondere situaties.
Art. 1, punt 4 onder b en c van de Richtlijn.
Zie art. 1, punt 4 onder d van de Richtlijn.
Naar de situatie op 1 januari 2010 betreft het hier Andorra, Kroatië en Zwitserland.
Zie art. 8 lid 1 van de Richtlijn.
Zie art. 3, derde volzin onder a van de Richtlijn voor wat betreft gewoonlijk op het grondgebied van de lidstaten gestalde voertuigen en art. 7 van deze Richtlijn voor wat betreft voertuigen uit derde landen.
Thans de regeling van de verzekeringsplicht in de Richtlijn.
In beginsel dienen alle voertuigen die in een lidstaat ‘thuishoren’1 te worden verzekerd tegen het risico van aansprakelijkheid waartoe de deelname aan het verkeer aanleiding kan geven. Zie art. 3, eerste volzin, van de Richtlijn:
“Iedere lidstaat treft, onverminderd de toepassing van artikel 5, de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt.”
Onder motorrijtuigen worden verstaan
“alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers.”2
Daaronder vallen dus ook aanhangers en opleggers, ongeacht of zij aan een trekkend voertuig zijn gekoppeld.3
Kernbegrip in deze bepaling is de term ‘gewoonlijk gestald’. In beginsel gaat het daarbij om de vraag van welke lidstaat het voertuig een kentekenplaat draagt, waarbij – bij de invoering van de 5e Richtlijn – is duidelijk gemaakt dat tijdelijke platen in dit opzicht hetzelfde gevolg hebben als permanente.4 Voertuigen waarvoor geen kentekenregistratie bestaat, worden geacht gewoonlijk te zijn gestald in de lidstaat waarvan zij de verzekeringsplaat of een ander onderscheidingsteken dragen. Ontbreekt ook een dergelijke plaat, dan zijn zij gewoonlijk gestald in de lidstaat van de woonplaats van de houder van het voertuig.5
De bepaling van art. 1, punt 4, onderdeel d van de Richtlijn is met de 5e Richtlijn ingevoerd. Zij betreft voertuigen die – naar moet worden aangenomen ten onrechte –
geen kentekenplaat dragen, dan wel een plaat die niet of niet langer met het voertuig overeenstemt. Zij worden in geval van een ongeval – voor wat betreft, kort gezegd, de schaderegeling door de Bureaus of door het waarborgfonds – geacht gewoonlijk te zijn gestald in de lidstaat van het ongeval.6
De woorden “met het oog op de afwikkeling van de vordering overeenkomstig art. 2, onder a) of artikel 10” in art. 1, punt 4, onder d van de Richtlijn roepen vragen op. Art. 2 onder a ziet op de schaderegeling door de Bureaus, art. 10 op die door het waarborgfonds. De gedachte die aan het groenekaartstelsel ten grondslag ligt en die door de richtlijnen is overgenomen is, dat het Bureau van het land van het ongeval alleen kan worden aangesproken voor ongevallen, veroorzaakt door gewoonlijk in het buitenland gestalde motorrijtuigen. Art. 1, punt 4, onder d van de Richtlijn bepaalt dat voertuigen die (ten onrechte) niet van een kentekenplaat zijn voorzien of van een kentekenplaat die niet of niet langer overeenkomt met het voertuig, gewoonlijk zijn gestald in de lidstaat van het ongeval. Daaruit zou volgen dat voor het Bureau van dat land geen rol is weggelegd en dat het waarborgfonds zou moeten optreden. Maar wat als weliswaar de kentekenplaat niet in orde is, maar er nog wel een verzekeraar is die dekking verleent? Deze vragen komen aan de orde in paragrafen 4.5.4.2 onder e en 4.6.2.2 onder d. Wel kan worden vastgesteld dat de geciteerde woorden meebrengen dat geen wijziging wordt gebracht in de aanwijzing van de lidstaat waar het risico ligt en waar de verzekeringsplicht rust. Dat blijft de lidstaat van registratie. De keerzijde van deze medaille is wel, dat de beperking van de mogelijkheden om de naleving van de verzekeringsplicht te controleren, ook blijft gelden. Zie hierna, paragraaf 3.3.5.7.
Ook van buiten de EU komende voertuigen dienen te zijn verzekerd. Komen zij uit een derde land in de zin van art. 8 lid 1, tweede volzin van de Richtlijn waarvan het Bureau de Multilateral Agreement met de Bureaus van de lidstaten heeft ondertekend, dan worden zij geacht verzekerd te zijn: het Bureau van het land van herkomst staat garant.7 Komen zij uit een ander land, dan dienen zij in het bezit te zijn van een geldige groene kaart, dan wel aan de (buiten)grens van de EU een afzonderlijke verzekering af te sluiten, de zogenaamde grensverzekering.8
De verzekering – en dat geldt ook voor de dekking onder de groene kaart en voor de grensverzekering – dient het gehele gebied van de EER te dekken en wel overeenkomstig de in de betrokken lidstaat geldende wettelijke regelingen.9
In hoofdstuk 4, met name de paragrafen 4.4 tot en met 4.6, komt de vraag tot wie de benadeelde zich kan wenden bij ongevallen die door bezoekende motorrijtuigen zijn veroorzaakt, uitvoeriger aan de orde. Daar zullen met name ook de in de praktijk met deze regeling rijzende vraagstukken worden besproken. Hier volstaat de constatering dat in beginsel alle in een lidstaat van een kentekenplaat, een verzekeringsplaat of ander onderscheidingsteken voorziene voertuigen, alsmede niet van een dergelijke plaat of teken voorziene motorrijtuigen waarvan de houder woonplaats heeft in deze lidstaat, verzekerd dienen te zijn. In beginsel, want de Richtlijn opent de mogelijkheid van uitzonderingen, waarover hierna paragraaf 3.3.5.5.